
Opgetekend door Geert Veen, 26-10-2022
In 2008 is er al eens een verhaal gepubliceerd in de Zoolstede over Cor z’n ouders, Jan Steven Veenma en Hendrikje Hatzmann, aan de hand van een gesprek met zijn jongste zuster Maja en z’n beide broers Jaap en Henk; z’n oudste zuster Hennie kon hierbij niet aanwezig zijn en hijzelf verbleef in die tijd buiten de Nederlandse landsgrenzen.

Cor is de jongste telg van de familie Veenma en is geboren op 23-04-1942 in Appelscha. Zijn ouders hadden een manufacturenzaak aan wat nu Vaart ZZ 60 is; het pand waar vandaag de dag apotheek ‘De Drie Stellingen’ is gevestigd.
Hij groeide op in een vrij beschermd maar streng milieu – waar ze overigens nooit nadelige, blijvende gevolgen van ondervonden hebben, streng maar rechtvaardig zullen we maar zeggen met een goede zorg – en toen hij de leerplichtige leeftijd had bereikt was de lagere school zeer nabij: als de meester voor Cor hoorbaar op het schoolplein floot als teken voor de leerlingen om het schoolgebouw binnen te gaan kon hij met hard rennen nog precies op tijd komen. Op het laatste moment dus, ja, want eerst moest de ontbijt-afwas geklaard worden en na het middageten hetzelfde verhaal. En dat allemaal omdat huize Veenma uit een groot gezin bestond: pa en ma, 5 kinderen, inwonend oom Jan van pa Veenma en wisselend ook nog twee of drie werkneemsters; zodoende moest iedereen een handje helpen.
Van de oorlog herinnert Cor zich weinig meer, wel dat de tijden moeilijk waren, er waren veel monden te voeden en dat noopte pa Veenma ertoe om, evenals bij zovele dorpsgenoten, clandestien een paar varkens te houden: in een kolenhok tegen het huis aan en in een schuurtje achter in de tuin. Dat kon vanwege de stank eigenlijk niet onopgemerkt blijven en zo kon het gebeuren dat er een keer een Duitse militair met een N.S.B.- er kwam om de zaak te controleren, tot de kelder aan toe. Daar zagen ze een grote pan met varkensvlees, een kolfje naar hun hand natuurlijk en dat wilden ze in beslag nemen met pan en al. Maar omdat de pan niet clandestien was weigerde ma Veenma die af te geven. Tja, en toen wisten de heren het ook niet meer, ze konden het onbewerkte vlees moeilijk in hun broekzakken stoppen en dus dropen ze weer af, zonder vlees.
Omdat in de oorlog de verdiensten uit de manufacturenwinkel maar mondjesmaat waren vond Veenma bijverdienste middels een baan op het gemeentehuis in Oosterwolde.
Levensmiddelen waren in die tijd schaars maar toch moesten er vele monden gevuld worden en dus trok Veenma er zo nu en dan op uit om proviand te zoeken en niet zonder succes, soms zelfs tot Noord Holland aan toe: hij kwam bijvoorbeeld eens thuis met een volle zak aardappelen achter op de fiets.
Andermaal klopte er een duo Duitse militair / NSB-er bij huize Veenma aan en vroeg waar Veenma zelf was: op het gemeentehuis in Oosterwolde, antwoordde zijn vrouw. Dát geloofden de heren niet en ter controle vroegen ze het aan Henk die in de buurt was; gelukkig gaf hij hetzelfde antwoord waarmee de heren overtuigd waren en weer vertrokken. Wie weet welk onheil ons daar bespaard is gebleven.
Van de bevrijding herinnert Cor zich nog dat er Canadezen in Jeeps door het dorp reden en kauwgum uitdeelden; de banden van die Jeeps voelden warm aan, heel gewoon zou je nu zeggen maar wist hij veel.
Bij de kleine draai midden in het dorp lag een militair op de grond met z’n geweer in aanslag naar achteren de tuinen in richtend, haaks op de weg.
De fam. Veenma woonde, met het ‘Groene Kruis’ er tussen, naast bakker Zandbergen; daar moest Cor zo nu en dan naar toe om ‘bakkersprodukten’ te halen; die werden dan bij de bakker in het grote boek opgeschreven en later door moeder Veenma betaald, maar dat laatste, daar had Cor geen weet van, voor hem waren de door hem gehaalde boodschappen gratis …… En dus haalde hij wel eens een pak beschuiten om die, samen met z’n vriend, in een konijnenhok achter in de tuin op te peuzelen. Het ging allemaal stiekem, dus ergens snapte hij wel dat het niet helemaal in de haak was …….
In dat Groene Kruis gebouw werd eens in de week praktijk gehouden door tandarts Borgesius uit Assen en de fam. Veenma liet zich daar ook behandelen. Stiekem door de heg loerend kon Cor dan zo ongeveer zien wat de tandarts deed bij z’n patiënten, Cor was er als de dood voor, zeker als hij de grote boor zag en hóórde als in de zomer een raam open stond. En als hij aan de beurt was voor een controle of behandeling kroop hij weg in huis in de hoop dat ze hem niet zouden vinden en hij dus niet naar de tandarts hoefde. Hij dacht er echter niet aan dat zijn klompen bij de achterdeur stonden en hij dus niet ver weg kon zijn.
Achter het Groene Kruis gebouw was een grote, braakliggende tuin, even groot als die van de fam. Veenma zelf.
Omdat de in het Groene Kruis gebouw wonende wijkzusters – de gezusters Terpstra – niet aan tuinieren toekwamen, respectievelijk er geen verstand ván of gevoel vóór hadden, mocht oom Jan daar op grote schaal groente verbouwen, de oogst was voor hem en de zusters aten er van mee. Cor mocht oom Jan daar graag bij helpen en hoe dikker de te oogsten sperziebonen bijvoorbeeld waren hoe liever hij het had. In zijn latere leven heeft Cor nog menig keer een tuintje omgekeerd.
De jongste telg in huize Veenma was – en is nog steeds – een geweldige zoetekauw die graag overal suiker over strooide, zelfs over de aardappelen en als hij de kans kreeg nam hij ook graag een schepje suiker uit de suikerpot die open en bloot op het theetafeltje stond. En in de keukenkast stond de chocolade hagelslag …. Al dat geslik was z’n moeder een doorn in het oog maar hoe leer je hem dat af? Hoe ze op het idee kwam vertelt het verhaal niet maar op een gegeven moment moest Cor bij de tafel gaan zitten en daar kreeg hij een grote schaal vol met suiker gepresenteerd waar hij met een eetlepel naar hartenlust uit mocht snoepen. Het idee hierachter was dat hij zich misselijk zou eten en daarna geen suiker meer zou kunnen zien. Jammer genoeg mislukte de opzet en Cor bleef een fan van alles wat zoet was en is.
Cor keek tegen twee grotere broers en zussen op: soms was dat fijn en werd hij beschermd en bemoederd als hij weer eens iets uitgespookt had, maar het was ook lastig want als jongste ben je er een beetje bij in, tel je minder mee, krijg je minder aandacht. En soms trok hij zijn moeder – hij zat aan tafel naast haar – aan haar kin gepaard gaande met een krachtig mama, maaam, want hij wilde ook wel eens wat zeggen of vragen.
Huize Veenma werd in de winter warm gehouden door turf te stoken, dat werd bij tijd en wijle per karrevracht aangevoerd en vóór bij het paadje dat langs het huis naar achter het huis liep, gelost. Dan bracht Jaap het in de kruiwagen naar achteren waar het in de schuur keurig werd opgestapeld. Cor ‘hielp’ hem daar dan wel eens mee en dan mocht hij in de lege kruiwagen zitten als Jaap weer naar voren ging om een nieuwe vracht te halen.
Zonder noemenswaardige uitzonderingen doorliep Cor alle klassen en daaruit bleek toen al dat hij meer dan normale belangstelling toonde voor de lessen in aardrijkskunde: In één van de hogere klassen hing een grote kaart aan de wand met daarop Singapore dat met een dikke, rooie stip werd aangegeven, een centrum waar vele scheepvaartlijnen tezamen kwamen. Cor vond het machtig interessant, wat zou het mooi zijn dáár eens te kunnen kijken in zo’n tropisch land, maar wel een heel eind weg, hè? Toch is hij er tijdens zijn omzwervingen een paar keer geweest, mét vrouw en kinderen.

Ooit gaf Douwe Egberts op hun producten punten waarmee je o.a. plaatjes kon sparen om in het boek Bali, ook door díe firma uitgegeven, te plakken. Cor vond het maar heel exotisch het tropische Bali met z’n kokospalmen, op terrassen aangelegde rijstvelden en z’n mooie, mooi bruin getinte bewoners veelal in een sarong gehuld.
Gaande de rit heeft Cor het enkele malen in werkelijkheid kunnen aanschouwen. Hij heeft er zelfs een keer een flink eind hard gelopen om zijn fysieke conditie op peil te houden; bij het eerste ochtendgloren, dat wel, om de dagelijkse vochtige hitte voor te zijn. Naar hij zich meent te herinneren gaf D.E. ook het boek ‘Vlucht naar de Tropen’ uit waar je eveneens middels van D.E. verkregen plaatjes in kon plakken; Cor heeft het voor elkaar gekregen en hij heeft z’n plakboeken lang gekoesterd.
Zijn sterkste punt op de lagere school was rekenen, dat bleek al spoedig in de eerste klas bij juffrouw Reitsma toen hij mede-klasgenootjes en een nieuwelinge met dat vak mocht helpen middels rode, lucifer-achtige stokjes: een paar erbij, een paar eraf en dan weer tellen, enz.
In de hogere klassen bij Meester Zweers kregen ze soms vellen met heel veel diverse rekensommetjes erop, ‘Gauw en Goed’ genaamd. Met enkele klasgenoten streed hij er dan om wie het eerste de sommetjes af had, dan mochten ze namelijk iets voor zichzelf gaan doen totdat de hele klas uitgerekend was.
’s Middags om half vier zat de schooldag er weer op en mocht je wat voor jezelf gaan doen; eerst gauw even naar huis voor een versnapering en dan ‘de hort’ op en dat betekende vele dingen zoals:
* knikkeren met de zogenaamde ‘poddebakkers’, knikkers van klei; dat ging dan veelal in golven, dan werd er weer volop en zeer gedreven geknikkerd en dan een poos weer niet of nauwelijks; in een kuiltje in de grond vooraan op het schoolplein. Als het daar niet ging of mocht dan weken ze uit naar de plaats voor bij huize Veenma daar waar de turf ook werd gelost zoals eerder beschreven. De grond was daar betrekkelijk zacht zodat je er gemakkelijk een kuiltje kon maken en – niet onbelangrijk – je zat daar onder een straatlantaarn, dus als het vroeg donker werd kon het spel daar nog een poosje doorgaan. Iedereen werd laaiend enthousiast toen Freddy Gerlach een keer op kwam draven met een mooi gekleurde glazen knikker, daar werden grote hoeveelheden poddebakkers tegenover gesteld.
* voetballen in De Duinen voor de huidige Hanenburcht (nu Le Coq) daar waar later een parkeerplaats kwam;
* aan de achterkant van de Belvedère hard naar beneden fietsen en dan op de fiets over het heuveltje op de kop van ons voetvalveldje springen; totdat het een keer mis ging en klasgenoot A.O. over de kop ging en er een hersenschudding aan over hield; dat was slecht nieuws waar zelfs hoofdmeester Zweers van de lagere school zich mee bemoeide: aan het racen van de Belvedère kwam daarmee een abrupt einde;
* als het 1e voetbalelftal van Stânfries zondags thuis voetbalde dan ging menig keer na zo’n wedstrijd een groepje jongens naar de bos in de buurt van de Sanatorium poort om daar verstoppertje te spelen in een perceel bos dat door paden werd afgebakend: dikke pret. Een obstakel daarbij was echter dat je toen op zondag nog zondagse kleren aan had en oh wee als die smerig werden, laat staan kapot gingen, dan zwaaide er wat in huize Veenma!;
* in het voorjaar allerlei veldbloemen plukken en daarmee in het dorp bij de deuren langs om ze te verkopen; tegen de Kerst was hulst erg gewild en ook al was niet elk jaar de ‘hulstoogst’(mét besjes) even goed, ze (Cor b.v. met z’n broer of vriend) zochten net zo lang tot ze voldoende vonden;
* er was een jongen op de lagere school die kennelijk wist dat de stengels van paardenbloemen eetbaar en lekker zijn, wat heet, gezónd zijn; we gingen dan wel eens naar het Bergje waar hij op een bankje ging zitten en wij paardenbloemen gingen zoeken waarvan hij dan de stengel op at: we hebben hem (daarvan) nooit misselijk of ziek gezien!
* in het voorjaar was het ook “in mei leggen alle vogels een ei, behalve de Koekoek en de Griet . . . ”; Cor en z’n broer gingen graag met een aantal kameraden op zoek naar b.v. ekstereieren en klommen daarvoor in de hoogste bomen, als die tenminste betrouwbaar waren wat draagkracht of elasticiteit van de takken betreft.
De eik is wat dat betreft een ‘topper’, in een populieren boom kon je maar beter niet klimmen, takken daarvan knappen makkelijk af. De gebroeders Veenma hadden pech dat klanten van hun vader wel eens zagen dat de jongens soms in wel erg hoge bomen klommen. Pa Veenma waarschuwde hen dan niet weer ‘in zulke hoge bomen te klimmen’. Dan bood oudste broer Jaap uitkomst, hem werd nl. gevraagd of het nest in die en die boom ook hoog zat, vond hij dat het wel meeviel dan kwam één van de gebroeders onmiddellijk in actie.
Werden er eieren in een nest gevonden dan gingen die mee naar beneden in de mond, onder een pet of in een zakdoek. Lagen er meerdere eieren in een nest dan lieten ze er meestal één in liggen in de hoop dat er weer bijgelegd zou worden hetgeen veelal ook gebeurde. Deze ‘truc’ was afgekeken van hun Opoe op Hoogersmilde, zij had een paar kippen en er lag altijd een kalkei in de nesten als uitnodiging voor de kippen om er (weer) een ei bij te leggen.
Favoriete zoekplekken waren bomen in het dorp of wijd en zijd er om heen. Ook het Bergje was een gewilde plek en daar wilde ook nog wel eens een kraaiennest in een holle boom zitten en dat was ook het geval in de schoorsteen van de toenmalige Gereformeerde Kerk; omdat dat nest diep in de schoorsteen was gebouwd werd een soep-sleef gebruikt om de eieren op te lepelen en dat veelal onder luid protest van rondvliegende kraaienouders in spee.
Om ‘de kerk in het midden van het dorp te houden’ ‘bezochten’ de jongens ook wel eens de Ned. Hervormde Kerk; op verzoek mochten ze soms met de klokkenluider boven de kerk in en ontdekten zo al rondneuzend dat er in de toren ook kraaiennesten lagen; later klommen ze dan, zónder de klokkenluider, op een plat dak, worstelden zich via een minuscuul tuimelraampje naar binnen en de weg naar de kraaiennesten lag voor hen open.
Maar ’t ging ook wel eens mis: achter schilder Jongschaap bij de toenmalige ‘kleine draai’ was een meidoorn stekelheg van zo’n 3 tot 4 meter hoge en dicht op elkaar groeiende, dus dunne, meidoorn boompjes. Die heg scheidde de tuinen van het weiland van Reitsma erachter. In één van die boompjes hadden eksters een nest gebouwd, duidelijk zichtbaar want er was nauwelijks of nog geen bladgroei. Om zijn broer voor te zijn ging Cor daar op een dag om 12 uur na schooltijd rechtstreeks naar toe, klom in het iele stekelboompje en voelde twee eieren in het nest, stopte die gemakshalve alle twee in zijn mond (!) en wilde zich weer naar beneden laten zakken, verzette daarvoor zijn rechter voet die tegen de stam op een dun takje stond, net iets te ver van de stam af waardoor het takje boog (niet knapte!): Cor verloor daarmee zijn evenwicht, roetsjte naar beneden en kwam met gestrekte benen zittend op de grond terecht: wonder boven wonder geen enkel letsel, misschien op een onbeduidend schrammetje na. En de eieren?, die waren óók wonder boven wonder nog helemaal in tact!
De gebr. Veenma werden zelfs een keer in Oud-Appelscha op een boerenbedrijf uitgenodigd om daar een spreeuwenplaag onder de dakpannen te lijf te gaan.
En wat deden de eierzoekers met de gevonden eieren?, Die werden onder de klimmers en niet klimmers verdeeld en dan durfde soms de meest verwoede en bange niet-klimmer al vóór we ook maar één ei hadden gevonden te roepen: “Eerste ei voor mij!” Maar dat feest ging natuurlijk niet door. Vóór het verdelen werden de eieren in een emmertje met water gedompeld om te kijken of ze misschien bebroed waren (‘foel’ waren, heette dat) want dan gingen ze drijven en werden ze weggegooid.
En nadat de eieren waren verdeeld werden ze uitgeblazen door er aan beide kanten een gaatje in te prikken en aldus kon je de lege dop aan een draadje rijgen en thuis ophangen als ‘troffee’. Struif van ekster- en kraaieneieren werd bij de fam. Veenma gebakken tot een omelet.
Nog vóór er enig zicht was op bijvoorbeeld ekstereieren zoeken waren kieviten al druk in de weer om voor nakomelingen te zorgen; hun eieren waren makkelijker bereikbaar maar moeilijker vindbaar, daar moest je verstand van hebben en dat hadden Cor en z’n maten niet. Sommige dorpsgenoten hadden dat wél, die hielden de buitelende kieviten een poosje in de gaten en dan kon het maar zo zijn dat ze recht op een nest mét eieren afliepen; die kennis en kunde hadden zij niet: als ze ergens kieviten hadden gezien, bijvoorbeeld op de De Maden, zochten zij een weiland af door systematisch de slootjes of greppels bij langs te lopen en ooit, ooit hadden ze dan wel eens geluk en waren dan de koning te rijk, een kievitsei gevonden!
Weilanden waren vaak van elkaar gescheiden door middel van (prikkel-)draad waar al dan niet ‘stroom’ op stond. Over de draad heen springen of er tussendoor kruipen was niet altijd even gemakkelijk, makkelijker was het om de bovenste draad vast te pakken en naar beneden te duwen, maar ja, ze waren bang een ‘schok’ te krijgen en hoe erg zou dat wel niet zijn. Goede raad was duur, totdat Cor z’n maat J.B. een lumineus idee kreeg: zou je er iets van merken als je op de draad plaste? Proefondervindelijk zou dat wel blijken. Toen J. de daad bij het woord voegde was het antwoord meteen heel duidelijk: met zijn dansen, springen en schreeuwen en deels ook nog een natte broek gaf hij aan dat het antwoord positief was!;
* in het dorp liep dagelijks een goederentram (tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ook passagiers vervoerd): een cent op de rails gelegd werd door de tram tot een zeer dun plaatje gewalst;
* in het najaar ‘leenden’ ze ook wel eens een appel ergens in een boomgaard omdat die natuurlijk lekkerder waren dan het overvloedig aanwezige fruit in eigen tuin;
* omdat Veenma aan de vaart woonde begonnen de jongens later in het voorjaar aan vissen te denken; als ze eens een nieuwe bamboe vishengel in de winkel van Oosterloo mochten kopen waren ze de koning te rijk; die hengel moest lang en sterk zijn en bovendien flink zwiepen want je wist maar nooit wat je aan de haak zou krijgen.
Het visseizoen begon op 1 juni, maar zeker als het wat mooi weer begon te worden konden de jongens niet langer wachten en dus gooiden ze al eerder een hengeltje uit in de vaart voor hun huis. En meestal was er geen vuiltje aan de lucht totdat op een dag de plaatselijke agent aan de overkant van de vaart aan kwam fietsen vanaf zijn huis vlak bij de 1e. Wijk, richting Hulst. Heel toepasselijk was de naam van de goeie man Visser!
Recht tegenover ons aangekomen riep hij: “Ik zal wel even bij jullie komen”. Dat hoefde hij maar één keer te zeggen, de jongens wisten dan niet hoe snel ze zich achter hun huis moesten verstoppen. En Visser? Die zal wel in zijn vuistje gelachen hebben. Voorlopig werd er eventjes niet meer gevist voor huize Veenma, d.w.z. niet voor 1 juni.
Toen had een agent nog gezag, maar tegenwoordig, ongehoord, de jeugd zou nu de tong uitsteken of misschien wel een middelvinger opsteken of met vuurwerk gooien.
Over Visser ging ook het verhaal dat hij een keer een meisje aan wilde houden dat zonder licht fietste totdat hij in het donker een dochter van een collega meende te herkennen. “Oh, Emmy” zei agent Visser toen, “rij maar door …. !”
De Opsterlandsche Compagnonsvaart kwam voor de jeugd voor vele zaken goed van pas, zoals boven al werd aangegeven:
* vooral in het voorjaar werd er gevist, en dat leverde nog wel eens een blei op of een aal en die werd dan thuis gebakken en opgepeuzeld, maar de vele graten maakten het dan weer minder aantrekkelijk;
* wat verder in de tijd als het water wat opgewarmd was kon je er in zwemmen, kón, en sommigen deden dat ook maar de Veenma’s mochten niet want het water werd niet schoon bevonden: schippers loosden er ‘van alles’ in en bovendien zwommen er ratten in: ziekteverwekkers vond men, terecht of ten onrechte;
* het hele jaar door werd de vaart als vuilnisvat gebruikt, zeker als het donker was en niemand zag wat er gebeurde: er was geen vuilnisophaaldienst en wat moest je dan bijvoorbeeld met kapotte TL-buizen? Die werden in de vaart gegooid waar ze bleven drijven en daar kwam dan meteen een mooi wedstrijdje uit voort: wie kon het eerst de buis met een steen raken zodat hij ‘knalde’ en naar de bodem verdween;
* en om te voorkomen dat al die rommel, inclusief slib, de scheepvaart ging hinderen, moest de vaart eens in de zoveel jaren uitgebaggerd worden, dan kon je goed zien wat er allemaal ingegooid was: tot en met fietsen aan toe;
* de jongens waren bij tijd en wijle op straat aan het voetballen en dan wilde de bal nog wel eens in de vaart verdwijnen. Tja, en dan? Een lange stok was vaak niet lang genoeg. Stenen of plaggen achter of tegen de bal aangooien en zo kwam de bal uiteindelijk toch weer aan wal. Soms aan de verkeerde wal en dan moest de bal door bijvoorbeeld de overbuurjongens weer over de vaart gegooid of geschopt worden, maar dat ging ook niet altijd goed en dan kon je weer overnieuw beginnen ….;
* toen Cor z’n zwemdiploma had gehaald mocht hij ook met de van de naburige bakker geleende kano in de vaart gaan varen: dolle pret en liefhebbers genoeg om een eindje mee te varen.
Dat zwemdiploma halen deed je min of meer verplicht op de lagere school: zo gauw het zwembad open was ging je er, weer of geen weer, na schooltijd naar toe en kreeg je hangend aan een hengel en later met een luchtdichte ‘buis’ op je rug, les van meester Bindervoet en naar hem wilde je wel luisteren, met veelal als gevolg één of – voor de doorzetters – meerdere zwemdiploma’s;
Cor presteerde het, na veel oefenen, een handstand op de hoge duikplank te maken en dan, na een kleine beweging naar voren, steil naar beneden het water in te schieten. Hij had zich zelfs een salto vanaf de hoge duikplank aangeleerd. Met mede zwemmers werd wel eens een wedstrijdje gedaan wie het langst onder water kon blijven; toen Cor op een keer wel erg lang ‘weg’ bleef vertrouwde de toekijkende badmeester het niet meer en toen hij al doende was om zijn kleren uit te trekken voor een reddingspoging, kwam Cor z’n koppie weer boven water. Maar al die capriolen werden even opzij geschoven nadat hij een keer van de hoge duikplank plat in het water terecht kwam en dat voelde niet prettig;
* tja, en in die jaren wilde het nog wel eens winteren, goed winteren zodat de vaart uiteindelijk bedekt werd met een flinke laag ijs. De jeugd kon dan niet wachten op het ijs te gaan, maar opnieuw was er pa Veenma die nu waarschuwde voor door het ijs te zakken en hij keek liever eerst de kat uit de boom voor zijn kinderen op het ijs mochten. Bij de overburen waren ze minder bevreesd maar toch ook wel weer voorzichtig: ze schoven een ladder op het ijs en kropen daar op: als het ijs ‘geen krimp’ gaf werd het sein groen gegeven.
Ontstonden er daarna geen problemen dan lag ook voor de kinderen Veenma de weg naar en op het ijs open. Meestal schaatsen, eventueel met het voorttrekken van een slee waar dan iemand op mocht gaan zitten. Schaatsmogelijkheden genoeg: richting Oosterwolde of verder de andere kant op naar Smilde bij voorbeeld. Of de ‘Wieken’ in Ravenswoud en daar op de Wieken was het ijs op de tussen de bos liggende vaarten (Wijken) veelal rimpelloos en spiegelglad: ideaal om te schaatsen.
En dan was er ook de ijsbaan midden in het dorp waar je al gauw kon schaatsen, en er was bij tijd en wijle een ‘koek en zopie’, waar Cor z’n toekomstige zwager voor het eerst onbewust ontmoette.
Met een goede winter kwam veelal ook een flink pak sneeuw, lastig voor het verkeer maar voor de jeugd gaf het veel vertier: zo was Cor eens met klasgenote Mia Gerlach en haar broer Freddie en ? aan het sleeën op de besneeuwde Duinen Straatweg, richting Jeugdherberg en wie kwam hen achterop? Dokter Gerlach, die naar een patiënt in de Oude Willem onderweg was; hij stopte, bond het ene eind van een touw aan de slee, het andere eind aan de bumper van z’n Porsche, twee op de slee, de andere twee bij de dokter in de auto en daar gingen ze weer, dolle pret. Maar een enkele keer ging het fout: op sommige plekken lag niet genoeg sneeuw en kwam de slee terecht op de niet erg gladde straatstenen met als gevolg dat de slee omsloeg en/of het touw brak en de sleeërs hard met de straatstenen in aanraking kwamen. Problemen? Nee, hoor, hooguit een schrammetje, maar de dokter was ter plekke, dat gaf een veilig gevoel; wat wil je nog meer? Het euvel werd verholpen en na een wisseling van de wacht werd de slee(p)tocht voortgezet.

Alleskunner Atze Dijkstra gebruikte een overvloedige sneeuwval soms om op de kop van de ijsbaan sculpturen van sneeuw te maken; een bijzonder fraai exemplaar was een op een samengeperst blok sneeuw liggende mannetjes leeuw met prachtige manen; op de plaats van de ogen werden rode achterlichtjes van een fiets gebruikt: prachtig!
NTM bussen rijdend in de richting van Assen stopten bij de sculpturen om hun passagiers even van al dat moois te laten genieten.
Met veel sneeuw kon je van een heuvel in de bos langs de Sanatoriumweg glijden of ze maakten een glijbaan op de vaartwal: flink wat sneeuw op de wal aanbrengen en dat tot een glijbaan vormen; tegen de avond water er overheen gegooid en dan was het de volgende morgen flink glad en hard.
Toppunt vonden ze het bijeen sjouwen van een dikke bult sneeuw die ineen gestampt werd en dan in de vorm van een huis afgestoken. Ook werd daar ’s avonds water overheen gegoten zodat er als het ware een dikke ijsklomp ontstond. Die ijsklomp werd uitgehold zodat je ook nog in het ‘huis’ kon zitten én er bovenop! Historisch gezien onjuist werd het bouwsel “Het behouden Huiz” genoemd (naar Willem Barentsz op Nova Zembla, 1596); vele jaren later heeft Cor Nova Zembla in werkelijkheid aanschouwd.
* eens in het jaar waren er de T.T.-races ‘op de Drentse hei’ in Assen, dan zat Cor, soms met zijn broer, thuis in de etalage gewapend met schrift en pen en dan schreven ze zoveel mogelijk de registratienummers van voorbij rijdende auto’s op om de schriften vervolgens op te bergen en er het volgende jaar mogelijk mee verder te gaan; het doel van al die drukte: een aardig tijdverdrijf en zo was je dus veilig verwijderd van al die verkeersdrukte. Uit die tijd weet Cor zich nog te herinneren dat een registratienummer beginnend met een A uit Groningen kwam, B stond voor Friesland, D voor Drenthe, E voor Overijssel, en P voor Limburg en er was soms zelfs een K uit Zeeland.
* In Cor z’n lagere school jeugdtijd gingen er vrij regelmatig schepen door de vaart en die vonden dan het bruggetje (de ‘draai’) midden in het dorp op hun vaarweg; veelal kondigde de schipper op afstand zijn komst aan door op een hoorn te blazen en dan behoorde de draaiwachter op te draven om de draai te openen. Dat ging meestal goed maar ook wel eens niet. Als Cor en z’n maten de schippershoorn hoorden gingen ze menig keer op een draf naar de draai om die te openen met als hoogtepunt de klomp die aan een touwtje hing aan het eind van een lange stok. Die klomp hing je de schipper dan voor de neus en hij of zij deed daar dan z’n ‘tolgeld’ in, een kwestie van een paar centen, maar zij waren er dol op en konden daarmee een paar snoepjes kopen.
Als Cor vroeger eens gevraagd werd wat hij later graag wilde worden was zijn antwoord steevast ‘brugwachter’, want dan verdiende je klinkende munten!
Uit baldadigheid lieten ze, na de centjes ontvangen te hebben, de draai ook wel eens open staan: iemand die van de draai gebruik wilde maken moest er dan zelf eerst voor zorgen dat de draai weer op zijn plaats terecht kwam zodat er weer over gelopen of gefietst kon worden. Maar je had pech als je van de Z.Z.-kant over de draai wilde want de open draai lag aan de N.Z.-wal …….
* Naast het eerder genoemde bloemetjes verkopen en het openen van het bruggetje had Cor nog een paar verdienmodellen: in het voorjaar tijdens de Paas- of Pinkstervakantie stond er voor Duinen Zathe een zweefmolen. Mensen die in die molen gingen hadden kennelijk los geld in hun zak(ken) dat er tijdens hun zweefcapriolen in de molen wel eens uitviel.
Hij ging dan de volgende morgen heel vroeg (de molen draaide al naar gelang van de belangstelling door tot in de late uurtjes) naar de molen en woelde met een stokje in het losse zand onder de zweefbakjes en dan wilde hij nog wel eens een geldstuk(je) blootleggen: makkelijk verdiend en een mooi avontuurtje; een beetje verder in de tijd waren er regelmatig voorstellingen in het Openluchttheater: in het weekend film en verder zang (Ria Valk, de Chico’s), dans, cabaret, conferencier (Rudi Carell) en wat dies meer zij.
Bezoekers wilden in de pauze nog wel eens een flesje ledigen waarna het flesje menig keer buiten de afrastering verdween. Cor – maar er waren meer kapers op de kust – zocht die de volgende morgen op en wisselde de flesjes in voor statiegeld; opoe op Hoogersmilde (boven eerder genoemd) was Cor z’n grootmoeder van moeders kant; zij bracht ongeveer 11 kinderen groot waarvan de meesten van het mannelijke geslacht en eentje daarvan (oom Jans) bleef lang ongetrouwd thuis wonen.
Alle jongens kwamen in de veehandel terecht en de meesten van hen gingen vrijdags naar de veemarkt in Zwolle; Cor vond dat machtig interessant als hij de verhalen van zijn ooms daarover hoorde en zo kreeg hij het voor elkaar dat hij een enkele keer met oom Jans mee mocht naar Zwolle. Een veetransportwagen van een neef van Oom Jans kwam hem ’s morgens voor dag en dauw onderweg naar Zwolle ophalen in Hoogersmilde en dus moest Cor daar dan ook al zijn. De enige praktische oplossing daarvoor was – en meteen het begin van de pret – dat Cor op donderdagavond dan al naar Hoogersmilde ging en bij Opoe zou slapen, in een bedstee nota bene. Terwijl Cor zich reisvaardig maakte zette Opoe een stevig ontbijt op tafel dat ook voor de rest van de dag diende en dan hup, de vrachtwagen in. Ter hoogte van Meppel moest je onder het spoorviaduct door en de chauffeur riep dan: “Bukken” wat Cor dan ook in al zijn onnozelheid deed, dat tot grote hilariteit van de volwassenen met wie hij in de cabine zat. Eén en al koe op de markt – maar geitjes waren er ook en die trokken meer Cor zijn aandacht – en als er een (ver-)koop werd gesloten werd die in één van de cafés onder het genot van een ‘neut’ bezegeld. Cor kreeg dan ook een drankje aangeboden en veelal werd gevraagd wie hij wel niet was. “De jongste zoon van mijn jongste zus” antwoordde Oom Jans dan. Waarop de vrager dan instemmend knikte en menig keer in zijn vestzakje tastte en Cor een muntstuk toeschoof: zijn zoveelste ‘verdienmodel’. Op de terugreis werd in het zicht van de haven in Dieverbrug nog eventjes bij een café gestopt voor een laatste ‘neut’, om het af te leren ……
Bij Opoe wachtte een stevig bord heerlijke boeren soep met balletjes! en Cor was weer een mooie ervaring rijker.
Maar er was ook het échte verdienen, dat gebeurde bij deze of gene boer, zoals:
– hooi op het land opslaan in oppers, opladen op een wagen en in het hooivak in de schuur opslaan als winterrantsoen voor het vee (onderweg naar de schuur rookten de boerenknechten soms boven op het hooi (!) en dan mochten de jeugdige hulpen soms stiekem ook een ‘sjekkie’ draaien en roken);
– té vroeg of té ver gekiemde (poot-)aardappelen met de hand ontkiemen; (een ‘ploeggenoot’ werd op de vingers getikt omdat hij z’n opdracht niet goed uitoefende waarop de slimmerik antwoordde “ik doe het allemaal nog wel een keer over . . . .”;
– aardappelloof trekken waardoor de aardappelschil sneller/beter afhardt;
– pootaardappels rooien, met de hand nota bene, want het betrof een secuur werkje: de knollen moeten zo weinig mogelijk beschadigd worden om ziekte verwekkers zo weinig mogelijk kans te geven: de knollen moeten het volgende jaar weer voor nakomelingen zorgen;
– in de herfst na schooltijd knollen plukken waarmee het vee op stal werd bijgevoerd, maar de plukkers lustten ze zelf ook maar wat graag (oppassen voor de gevolgen ervan: diarree als je er te veel van eet);
– ook in de herfst zochten Cor en de zijnen krenten, hazelnoten, beukennootjes en tamme kastanjes om die zelf lekker op te peuzelen;
– een enkele keer kwam het voor dat het Staats Bos Beheer eikels nodig had, veel eikels om die in zaadbedden te zaaien met de bedoeling de daaruit groeiende boompjes ‘ergens’ aan te planten; de schooljeugd was daar dol op want ze werden per kilo geleverde eikels uitbetaald: leuk en makkelijk werk, alleen als de kilo’s gingen tellen dan was het sjouwen geblazen;
– in de herfst was de dorsmachine ook altijd wel ergens te vinden: korenmijten die je misschien zelf wel mee had geholpen op te stapelen, verdwenen met een karakteristiek geluid in de dorsmachine. Was een korenmijt tot bijna op de grond weggewerkt dan wilde er nog wel eens een muisje tevoorschijn komen waar dan de jacht op werd geopend.
Werd er tarwe of rogge gedorst, dan ‘leende’ je daar soms een handje vol van om het lekker op te kauwen. Als je tarwekorrels flink door kauwde, zei men, dan zou je een soort kauwgom in de mond krijgen: Cor was daar voor z’n gevoel niet erg succesvol in en daarom slikte hij het goedje dan maar door;
– klusjes / werken zoals venten langs de klanten met de groenteboer, het bij de bakker bestelde brood bezorgen bij de klanten, emballage sorteren en in de daarvoor bestemde dozen en kratten doen: als je wilde dan was er altijd wel wat.
En verveelde je je, ondanks al het bovenstaande alsnog, dan waren er nog de alom gewaardeerde bossen, de duinen en de heide waar je veel tijd zoek kon brengen.
Zoals al eerder geschreven doorliep Cor met enig gemak alle klassen van de lagere school, maar omdat hij een late leerling was – geboren op 23 april, terwijl een nieuw schooljaar op 1 april begon – mocht hij pas in 1955 naar de U.L.O. in Oosterwolde.


