
Anne Veenstra (1939-2022), geboren aan de Eerste Wijk te Appelscha Derde Wijk, nu Ravenswoud geheten, schreef vanaf 2010 regelmatig verhalen voor De Zoolstede. Als afsluiting van de rubriek ‘Jeugdherinneringen van Anne Veenstra’ een selectie van deze verhalen opgetekend in De Zoolstede, van 2019 tot en met 2022.
Voorwoord
Anne heeft zijn jeugdherinneringen aan mij toevertrouwd, alleen mijn grootste probleem was dat Anne alles in het Fries had opgeschreven. Nu kan ik het Fries wel verstaan en zelfs enkele woordjes spreken, maar schrijven en vertalen lukt mij niet. Krijn bij de Leij werd bereid gevonden om de Friese tekst om te zetten in het Nederlands.
Ik ben Krijn zeer dankbaar dat hij dit heeft willen doen, en zo heeft bijgedragen aan dit unieke stukje “levensverhaal van Anne Veenstra”.
Om de originaliteit van de verhalen zo getrouw mogelijk weer te geven zijn deze zowel in het Fries als in het Nederlands, in twee aparte versies geplaatst.
De bij de verhalen geplaatste foto’s komen uit het archief van het boek van oom Evert Veenstra, “Een greep uit mijn verleden” en foto’s uit het archief van Anne Veenstra zelf.
De verhalen 9 en 10 die Anne vertelt gaan over twee mensen die op Anne een onuitwisbare indruk hebben gemaakt tijdens hun aardse bestaan. Verhaal 12 las Anne voor tijdens de herdenking van meester Lok op 20 mei 2017.
Appelscha maart 2017
Geert Veen
Logeren bij opa en oma in Appelscha
Zomervakantie aan de Nieuwe Vaart 1952
Oom Auke en tante Klaske, ze heette eigenlijk Klaaske, woonden aan de Nieuwe Vaart in Appelscha Boven. De Nieuwe of Achtervaart liep van de Eerste t/m de Dertiende Wijk en oom en tante woonden tussen de Tiende en Elfde Wijk. Ze hadden een zoontje Jan en ik weet nog hoe onze familie meeleefde toen
tante Klaske tijdens hevig onweer een miskraam kreeg van een tweede jongetje.
Rond het huis van oom en tante was allemaal weiland en water en ze woonden eigenlijk op een schiereilandje, want rond hun erf lagen sloten en voor hun huis de Nieuwe Vaart. Langs de vaart was een wagenpad en daarnaast een smal fietspaadje. Dat fietspaadje liep van de Derde Wijk naar de Tiende Wijk en er was ook nog een zijpaadje naar de Opsterlandse Compagnonsvaart.
Daar was een draaibruggetje en zo kon je op de weg van Appelscha naar Smilde, bij de Compagnonsvaart langs, komen. Ik moest af en toe het draaibruggetje en de weg over als ik voor tante een boodschapje moest doen bij winkelier Thijs van Veen. Kleine Jan zat dan bij me op de stang of achterop. Toen hij groter werd gingen we allebei op onze eigen fiets. In het paadje zat een klein rond gaatje en wij hebben daar eens een wezelkop uit zien steken. Ik ging daar als jongetje in de zomervakantie graag logeren en dat niet alleen om de nieuwe aardappelen en boontjes, die tante Klaske vers uit de tuin plukte en zo lekker klaar maakte. Omdat er ook veel kippen op het erf rondscharrelden, had oom de tuin afgeschut met kippengaas. Ik zat buiten ook vaak in de vele tijdschriften te lezen, zoals Donald Duck en Fan Fryske Grûn, die tante had bewaard.
’s Avonds kwamen veel mannen tussen tien en veertig jaar van de Tiende en Elfde Wijk op het land voor het huis van oom en tante bij elkaar om een voetbalwedstrijd te spelen, zo fanatiek als het maar mogelijk was. Ik moet zeggen, dat ik blij was als ik na het “poten” bij de ploeg van de enthousiaste oom Auke werd gekozen.
Soms had hij de oogkleppen voor en hij kon verschrikkelijk hard schieten, dus kon je beter maar niet met oom of met een schot van hem in contact komen. Als het begon te schemeren trok ieder zich terug in zijn eigen boerderij en nederige woning, maar tijdens het voetballen waren boeren en arbeiders één.
Oom Auke en zijn oom Meine waren verveners op het Fochteloërveen en ik ben een paar keer mee geweest naar hun werk. Daar vertel ik meer over in het volgende stukje.
Meine Meinsma woonde alleen in een schuitje, maar toen bleek dat hij daar op een bepaald moment verslonsde met alles wat er nog achter weg kwam, ging het oom en tante aan het hart en toen kwam Meine bij hen inwonen. Hij leerde de kleine Jan goocheltrucjes en als ik er dan logeerde, kon ik de truc maar niet in de smiezen krijgen en Jan wel. Later vertelde Jan mij dat zij hadden afgesproken dat Meine met de pijp aangaf wat Jan moest doen.
In de zomervakantie was ik vaak niet de enige logé. De school van Appelscha-Boven had een uitwisseling met een school in Amsterdam en dan werden leerlingen van de twee scholen ingekwartierd bij gastgezinnen. Zo kwam er ene Harry bij oom en tante en die vond het daar zo gastvrij, dat hij in de zomervakantie graag terug kwam. Wat mij toen opviel was dat Harry graag las en dat hij dat zelfs tijdens het eten deed. Dat waren wij niet gewend. Net als meer familie waren oom Auke en tante Klaske socialisten en anarchisten. De anarchisten hadden in Appelscha altijd een samenkomst met de Pinksterdagen en ik herinner me nog goed dat ik toen op Pinksterzaterdagavond mee ben geweest naar het toneelstuk “De zaak Hoogerhuis” en dat maakte diepe indruk. Net als bij de film “Abbot en Castello” in het openluchttheater met een schaterende oom Auke.
Logeren bij opa en oma in Appelscha
De achterkamer (1)
Dichtbij de school, aan de overkant van de Derde Wijk, was een doodlopend wijkje, toepasselijk “Het Wijkje” genoemd. Als er in de winter ijs op lag, dan was dat wijkje zeer populair bij de pikgooiers. (Pikgooien: met een bol zwerfkeitje al glijdend gooien op een opgezette steen.) Overdag waren dat werklozen en zondags kwamen de boerenarbeiders er nog bij. Op de “pik” lagen centen of munten van 2½ cent. Ik hoor nog het geluid als de zwerfkeitjes over het ijs hobbelden.

Aan het eind van het wijkje stond de boerderij van opa en oma. Een klein paadje, met aan weerskanten ribes, liep van het zandpad naast het wijkje naar de enige deur aan de zijkant van de boerderij. Als je door de deur ging kwam je in een soort hal en daar was in het midden een deur links en een deur rechts.
Door de rechterdeur kwam je in de achterkamer. In de verste hoek van de hal was “’t húske”, een toilet. Meteen rechts in de kamer hing de Friese staartklok die elk half uur zijn mooie klank liet horen. Rechts waren raampjes en één ervan kon open. Als pake thuis was, ging dat raampje regelmatig open om het pruimtabak sap met een boogje uit de mond naar de ribeshaag te transporteren.
De ribeshaag was in het voorjaar mooi rood van de bloemen en in de winter bruin van het tabak sap!
In het midden van de achterkamer stond een tafel met vier stoelen. Boven de tafel hing de kleverige vliegenvanger met dode vliegen. Als er eters kwamen werd de tafel wat verder bij het raam vandaan getrokken en dan werden er twee stoelen bijgeschoven. De kookkachel stond tegenover het raam en op de kachel kookte oma al het eten. Zij kon de pannen zo van de kachel op de tafel tillen. Vaak legde ze een stuk of wat plakjes doorgebakken spek op de borden. Die stukjes pakten wij één voor één met de linkerhand van het bord en namen zo nu en dan een hap van. In de rechterhand hadden we de eetvork, een mes werd toen niet gebruikt. Na de aardappelen haalde oma de warme pap van de kachel en die werd in hetzelfde bord opgeschept. Meestal was het melkpap zoals havermout-, rijste- of karnemelkse pap. Maar soms ook watergruwelpap. Als het eten verorberd was, deed oma de aardappelen en de groente in één pan, mengde dat door elkaar, goot er wat jus op en zette de pan op de vloer of buiten. Dan kon Bijke aan zijn maaltijd beginnen! Hij maakte de pan precies even schoon als opa dat deed met zijn bord, hij haalde de tong na elk maal er ook door. Tegenover de klok stond naast de kamerdeur het dressoir, waar de fruitschaal op stond. Tegen de kerstdagen wond oma wat rood crêpepapier om een houten klerenhanger en zette die op de kop in een bloempot. Dan kneep ze er drie kaarsenstandertjes op en zette daar kaarsjes in. Als die ’s avonds brandden dan was het zo behaaglijk in het kleine kamertje. Daarom was ik ook zo graag in de schoolvakanties bij opa en oma.
Naast de logeerplek was ik ook graag bij ooms en tantes en zodoende was ik dan ook haast nooit thuis in de vakanties! ’s Avonds na het eten las beppe voor uit opa’s favoriete boek “Moortje”. Na het middageten legde opa zijn voeten op de tafel en deed een klein dutje in zijn stoel. Als de tijd zowat om was, dan mocht ik van oma een schepje suiker in opa’s open mond doen. Dat vond hij helemaal niet erg, want hij smakte dan geweldig! De geestkracht zat erbij opa weer in en hij ging overeind om zijn werk af te maken.
Na het melken en avondeten goot oma het warme water uit de ketel in het afwasteiltje en klopte met de zeepklopper het Sunlight zeep door het water en maakte de hele boel nog schoner dan opa en Bijke. Met de vaatdoek kreeg dan ook het tafelzeil een goede beurt. Daarna stond opa op en waste zich genoeglijk in hetzelfde warme zeepwater en wat glom zijn hoofd dan! Dan legde hij de voeten op de tafel, want het was tijd dat oma de Heerenveense Koerier “de Krier” voorlas.
Logeren bij opa en oma in Appelscha
De voorkamer (2)
Als ik bij opa en oma logeerde, sliep ik altijd in de bedstee links vooraan, opa en oma in de bedstee rechts vooraan. Er waren vier bedsteden in de voorkamer, twee links en twee rechts en onder de bedsteden waren kelders. In de twee lege bedsteden had oma bijvoorbeeld lege weckflessen, beddengoed en kleren.
Onder de bedsteden waren kelders, waar van alles in bewaard werd. Zo waren er voor een heel jaar aardappelen opgeslagen en in de weckflessen was genoeg groente totdat er weer verse groente uit de tuin kon worden gehaald. In een paar grote Keulse potten zaten zoute groene boontjes en zuurkool. De potten zaten tot aan boven toe vol. Op die potten lagen theedoeken en daar bovenop een dikke zwerfkei. Toen wij op de Eerste en Derde Wijk in Appelscha woonden, was ik gewend om in een bedstee te slapen, maar ik moest die ruimte delen met onze Auke. Bij opa en oma had ik het rijk alleen. In de rechterhoek, niet zo ver boven het kussen, was een driehoekig plankje. Daar hadden opa en oma de wekker op staan, maar die had ik niet. Ik legde het stukje kauwgom er vaak op, zodat ik de volgende dag verder kauwen kon. Opa pruimde en ik kauwde.
Boven het voeteneind was ongeveer op een halve meter hoogte een plank tegen de muur en daar stond een “nachtfiets” (pispot) op. Bij hoge nood hoefde ik dus niet naar de grup in de koeienstal of naar de ribeshaag. Tegenover de keukendeur stond de haard, die alleen brandde wanneer er visite kwam.
De buurlui bijvoorbeeld werden ontvangen in de achterkamer. Ik zat er altijd bij tot aan het moment dat oma zei dat het nu weleens “ bedgangerstijd” was.
De deurtjes van de bedstee stonden op een kiertje, als ik erin lag. Oh, wat een behaaglijk plekje! ’s Winters kwam er een gestikte deken bovenop de gewone lakens en dekens.
Naast de kachel hingen hoog in de balken de zijden spek en droge worsten. In november was er een slager aan de deur geweest, die één van de varkens slachtte en ’s avonds terugkwam om van het dode varken hoofdkaas, hammen, worsten en wat al niet meer te maken. Oma, tantes en onze moeder draaiden de worsten in de schone darmen van het varken en het vlees werd in de weckflessen gedaan, die een plekje kregen in de kelder. Zo was er ook voor een heel jaar vlees in huis, zonder dat er een diepvrieskist was!
Het spek en de droge worsten kwamen aan de balken bij de kachel te hangen en ik kon ze ruiken als ik in de bedstee lag ….. lekker!!
Wanneer opa (3 september) en oma (12 augustus) hun verjaardag hadden, dan kwamen alle kinderen en kleinkinderen op de zondag na de verjaardag en dan werden beide kamers en bij mooi weer ook het erf volop gebruikt. Met de kerstdagen en oudejaarsavond kwam ook de hele menigte naar de boerderij aan het doodlopend wijkje.
Bijgaande foto is gemaakt toen opa en oma dertig jaar getrouwd waren. Omdat die trouwdag eigenlijk in de oorlog viel (12 september 1943) en niet alle kinderen er daarom bij konden zijn, is het feest meteen na de bevrijding, 5 mei 1945, gevierd.
Onze Auke en ik zijn de oudste kleinkinderen en in 1945 waren voorts de neefjes Henkie en Jan er nog maar.
Logeren bij opa en oma in Appelscha
Op de stal (3)
Vermoedelijk, omdat ik al in mijn eerste levensjaren in kunde kwam met de stal van opa en oma, is die voor mij altijd wat aan de grote kant geweest. En toch hebben zij nooit meer dan tien, elf koeien gehad. Zonder het te weten heb ik de vooruitgang duidelijk meegemaakt, omdat ik ook meekreeg dat de stal weer eens uitgebreid was met een koe. Alleen van horen en zeggen weet ik dat opa en oma er heel hard voor hebben moeten werken om een boerderij op te bouwen. Eerst op het één bunders boerderijtje in Petersburg bij Donkerbroek en later op de boerderij aan het doodlopend wijkje in het hedendaagse Ravenswoud. Pake heeft zelf naast de boerderij, een gemengd bedrijf, ook nog bijbaantjes gehad als boerenarbeider en als melkvaarder. Op de stal waren rechts twee varkenshokken, dan een deur naar de hooischuur en dan de paardenstal voor het paard, een kedde, met aan de koeienstalkant de ruif. In de hooischuur stonden de werkbank, de werktuigen en het voer voor de beesten, zoals brokken, meel en wei (vloeistof die overblijft bij kaasbereiding). Zomers stond deze wei buiten. Zo nu en dan liep er een worp biggen bij de zeug en dat vonden wij kinderen natuurlijk schitterend!!
Als je langs de koeienstal liep uit het stalgebouw, dan was er meteen links tegen de muur een pomp. Daar pompten opa en oma het water uit als de koeien ’s winters op stal stonden, maar zij haalden ook vaak met emmers op de kruiwagen water uit de wijk.
Voor de koeien was er een goot, waar het hooi en de kuil in moest en achter de koeien was een grup. Zo nu en dan haalde opa daar een grote schep door en duwde de stront en gier in de richting van het gat, dat de toegang was tot de gierput buiten.
De koeien zaten met een touw aan de kop vast aan de twee palen van weerskanten. Aan het einde van de staart zat ook een touwtje, dat verbonden was met de zolder. Dat touwtje zorgde ervoor dat de koeienstaart niet in de strontgrup hing, want dan kon de stront natuurlijk tijdens het melken ook in de melk komen.
Voordat opa en oma begonnen te melken, bonden zij het melkstoeltje onder het zitvlak, pakten een emmer en gingen op de melkstoel naast de koe zitten. Opa had ook wel een losse melkstoel. Vaak werden de achterpoten van een wilde koe vastgebonden met een touw met klemmen eraan, zodat de koe niet kon schoppen. Na elke koe werd de emmer met melk geleegd in de melkbus, waar een teems (zeef) op lag, om de melk zo schoon mogelijk in de bus te krijgen.
Het voeren en melken op de stal gaf mij altijd een warm en rustig gevoel en soms ruik ik nog de geur van vee en stal, die ik toen heb opgesnoven. Na het voeren en melken had opa nog wat de doen in de stal en oma maakte de broodtafel in de achterkamer klaar. Zij sneed o.a. het brood in plakken, want gesneden brood was er toen ook al niet!
Logeren bij opa en oma in Appelscha
Rondom de boerderij (4)
Het doodlopend wijkje eindigt precies tegenover de voorkant van de boerderij van opa en oma. Het zandpad dat naast het wijkje ligt, loopt verder tussen de stille zijkant van de boerderij en de mesthoop door. Dat moet ook wel, want de deuren naar de hooischuur zijn daar ook. Op de mesthoop liggen een paar planken en er staat ook een plank tegen de hoop. Wanneer opa geregeld een paar kruiwagens vol stront uit de grup moet legen, dan versnelt hij dichtbij de hoop zijn stap en draaft bijna om erbij op te komen. Eigenlijk kon je bij opa alles goed horen! Ander (groen) afval komt ook op de mesthoop.
Het pad loopt verder door de weilanden van opa en oma en daarom zijn er nogal wat losse hekken. Wanneer opa en oma gaan melken ik daar logeer, dan zit ik bij opa voorop de wagen en oma zit achterop bij de melkbussen.
Wanneer opa “Jantsje” roept, dan springt oma van de wagen, loopt vooruit en opent en sluit het hek. Opa loopt intussen onbekommerd met paard en wagen door, oma versnelt haar stap en springt weer achterop de wagen. Bij het volgende hek hetzelfde ritueel.
Het melkersplekje op een zandhoogte aan de Eerste Wijk, tegenover het plantsoen bij het Fochteloerveen was prachtig mooi om te spelen. Na het melken moesten de bussen nog met de melkkar naar de weg worden gebracht, waar de melkauto ze weghaalde.
Wanneer opa een goed humeur had, mocht ik weleens mee op de kar. Een paar meter buiten de deur waren de pomp, de boenplek en het pottenrek. Zomers en in het voorjaar waste opa zich onder de pomp en oma reinigde daar de potten, pannen, bussen, teemzen (zeven) of gelijksoortige dingen. De overalls werden daar ook met groene zeep op de boenplek afgeborsteld. Dichtbij het huis was ook nog een regenwaterbak, die met de pomp de enige drinkwatervoorzieningen waren in de eerste naoorlogse tijden. Naast het pottenrek stond nog een houten schuurtje, dat net als de houten hooischuur keurig in de zwarte teer zat. Daar stonden de fietsen, fietspomp, het droogrek, de wasteil en nog meer klein gereedschap dat voor het grijpen moest liggen. Achter de stal is de gierkolk en die leegt opa met een grote schepemmer. De gier wordt in de gierbak gesmeten en als die vol is, komt het paard ervoor om die naar de wei te trekken en daar wordt het spul als bemesting over het land gestrooid. Dat doet opa met dezelfde schepemmer en met een lenige armslag verstrooit hij het goedje heel nauwkeurig over het weiland. Later had hij een sproeier aan de bak. Even verder dan de gierbak is het kippenhok met een grote loop waar opa en oma een stuk of tien kippen in hebben. Ze eten niet alleen van de eieren, maar verkopen ze ook weleens, net als met een paar liter melk.
’s Avonds voor het melken voert oma de kippen en neemt zij in de schort de eieren uit de nesten mee en bewaart ze dan in een schaal in de kelder. Ik heb weleens een kip zonder kop door de loop zien lopen, omdat opa haar had geslacht voor de kippensoep. Achter het kippenhok lag een hoop wit zand, dat zaterdags gebruikt werd om het zandpaadje en de gele straatsteentjes voor de deur wat op te sieren. Niettegenstaande de primitieve levensomstandigheden op de wijken vond ik het daar in mijn jongste levensjaren toch een paradijs op aarde!
Wanneer Sijtske en ik nu met de auto thuiskomen, dan zeg ik vaak “Jantsje” en dan stapt Sijtske uit om de deur van de garage te openen…..toch mooi… niet !!
Opa en oma worden zo nooit meer vergeten!
Drinkwater in soorten (5)
Voor mijn zesde jaar had ik nog nooit leidingwater gehad. Sterker nog, ik wist niet eens dat dit bestond en het woord had ik ook nog nooit eerder gehoord, en toch werd in 1853 al met een leidingwaternetwerk in Amsterdam begonnen!
Al heel vroeg wist ik wat water was en dat het gevaarlijk kon zijn, want waar ik geboren ben heet het niet zonder reden “De Wijken”. Vaak heb ik gehoord: “Niet bij de wijk komen!” Dat deed ik stiekem wel eens en toen heb ik ook wel ervaren hoe het water aanvoelde. Gelukkig kroop ik altijd weer bij de wal op.
De wijken waren er niet alleen voor de schepen, want de huisvrouwen hebben er een hoop luiers en overalls in uitgespoeld en emmers vol gebruikt voor het glazenwassen.
Het drinkwater kwam aan de Eerste en later aan de Derde Wijk uit de regenbak, waar het regenwater vanaf de dakgoten door een zinken pijpje in liep. Nooit heb ik er indertijd aan gedacht dat ook wel eens één van de spreeuwen, zwaluwen of mussen op ons dak in de dakgoot scheet!
Aan de Derde Wijk was er tussen het huis van familie Hendrik de Boer en dat van ons een diepe put in een stukje akkerland. Het kleine paadje in het akkerland bij de put langs was de snelste verbinding tussen de twee huishoudens. Voor onze huizen lag een zandpad en de Derde Wijk. Op de put lag, op grondhoogte een houten deksel en nooit heeft één van de kinderen (wonend) aan ons pad het deksel opgetild. Wel waren we er als de wiedeweerga bij als één van de volwassenen met een putemmertje! Soms zat er een kikker in het emmertje. Opa en oma haalden het drinkwater uit de pomp en opa en oom Evert vonden het aangenaam om na een zware werkdag het hoofd en het bovenlijf eronder te houden.
De groene zeep lag dan altijd op de rand van de pomp en die zorgde voor mooie glimmende koppen. Op de foto is te zien, dat opa en oma ook regenwaterbak hadden en dan natuurlijk de Wijk.
Daar werd ook het drinkwater voor het vee uitgehaald, wanneer die op stal stonden. Opa had een speciaal emmertje aan een stok om het water uit de Wijk te scheppen, de schepemmer. Kort gezegd waren wij op het Oostereind één van de bevoorrechte gezinnen, die waterleiding hadden, al was er in het hele huis ook maar één (koude) kraan.
Verscheidene buurlui maakten ook dankbaar gebruik van de diensten die de watertoren in Lippenhuizen ons had te bieden.
Toch vergat onze moeder het water uit de regenwaterbak en de vaart ook niet! De Opsterlandse Compagnonsvaart en de walstoep waren bij het wassen van de overalls en de poepluiers nog een onmisbare uitkomst.
Lijfje, jarretels, bretels, een borstrok en knielappen (6)
Toen ik nog een dreumes en een kleuter was, duurde het in de winter vaak nogal even voordat ik ’s morgens in de kleren was en daar was ook nog hulp van onze moeder bij nodig. Zij deed mij het lijfje, waar de sjarratels aan vast zaten aan en maakte die meestal ook nog met twee knopen vast aan de zelfgebreide kousen.
’s Nachts had ik geen pyjama aan. Onze Auke en ik sliepen in ons hemd en onderbroek samen in een bedstee. Als het vroor had onze moeder voordat we naar bed gingen een dikke gladde veldkei in een oven van de kachel gelegd en die legde ze dan op het voeteneind in ons bed.
We lagen op het flanellen onderlaken en dat lag op een matras met kaf erin. We kropen onder een katoenen laken, een wollen deken en daar bovenop een gestikte deken. We hadden het dan lekker warm, soms zo warm, dat de gestikte deken aan de bovenkant nat was, wanneer we ’s morgens wakker werden.
Wanneer we uit bed kwamen, had de kachel soms de kamer nog niet genoeg verwarmd en daarom stroopten we gauw de gebreide borstrok en gebreide trui over het hoofd. Om de beurt veegde onze moeder ons dan met een nat washandje over het hoofd en dan moesten het lijfje en de bretels nog om. Dan pas konden de gebreide kousen en de broek aan. Over de kousen moesten wij, net als de broek en de kousen, zelf de sokken aantrekken. In de zomer droegen wij de sokken over de kniekousen.
Wanneer ik de kousen aanhad, dan moest ik de leren knielappen met riempjes en gespen nog voor de knieën, want anders had ik op de kokosmatten zo de kousen kapot. Als onze Auke thuis kwam uit school en hij wilde ook op de vloer spelen, dan moest hij ook de knielappen voor.
Als wij de kousen niet aan hadden, dan droegen wij in huis soms ook de knielappen om de pijn van de kokosmatten te voorkomen. Buiten droegen we altijd klompen, soms op zondag schoenen. Haarkammen hoefde bij mij niet, want ik had alleen maar een klein kuifje. Naar de kapper gingen we trouwens nooit, want onze vader knipte ons met een handtondeuse precies even goed als een echte kapper.
Wassen, verschonen, douchen en “elektrisch schijten” (7)
Onze moeder was er trots op dat haar kinderen zo snel “schoon” waren, want dan had ze niet zoveel werk met poepluiers uit de spoelen in de Wijk!
Wel herinner ik mij dat Auke en ik, die samen in één bedstee sliepen elkaar wel eens in een droom nat hebben geplast! Veel erger was het als er één ziek was en ons allebei eronder braakte! Gelukkig waren dat incidenten. Als wij ’s morgens uit bed kwamen, dan had onze moeder al een afwasteiltje met water uit de regenbak op het tafelzeil staan. Ze waste ons beide het hoofd en de armen en dan moesten wij ons aankleden en een boterham eten.
Na koude nachten had ze het water eventjes opgewarmd in een ketel op de turfkachel. Het vuile eetgoed werd ook altijd in het wasteiltje gewassen. Met een zeepklopper met “Sunlight”- zeep erin werd van het warme water eerst een lekker sopje gemaakt. Met dat water kon je ook belletje blazen, als moeder of vader tenminste een provisorische bellenblazer had gemaakt.
Eenmaal in de week, op zaterdagavond, werden we verschoond. Dan kwam met de regen-of putwater gevulde wasteil in de kamer te staan. Om beurten stonden Auke en ik erin en dan waste onze moeder niet alleen het hoofd en de armen, maar het hele lichaam. Wanneer wij naar bed waren deden moeder en papa hetzelfde. En hoewel ik het nooit heb gezien denk ik dat ze elkaar de rug wasten. Het ondergoed wat wij de hele week hadden gedragen kwam bij de deur te liggen en als ieder zijn wasbeurt had gehad ging dat in de lege teil. Op maandag was het wasdag en dan hing de hele lijn langs het tuinpad vol met onderbroeken, hemden en ander schoon goed.
In alle schoolvakanties was ik wel een paar dagen logeren bij opa en oma en dat was genieten!
Bovendien had opa tijdens en na het eten vreemde aanwensels, waar ik zo nu en dan met open mond naar zat te kijken. Als het eten klaar was, dan likte opa zijn bord schoon leeg en de stabij Bijke geregeld de andere borden en pannen en dan had oma er minder werk mee.
’s Avonds na het melken, het broodeten en het afwassen pakte opa de droogdoek en waste zijn hoofd genoegelijk met het nog lauwe water. Daarna maakte oma het zeil er nog even mee schoon.
Toen wij in mei 1946 naar Kortezwaag verhuisd waren en een (koude) kraan en een aanrecht hadden, wasten wij ons elke morgen het hoofd bij dat aanrecht en daar was zaterdags ook vaak de grote wasbeurt. Alleen als het daar te koud was, dan werd de teil weer in de huiskamer gezet.
De echt grote verandering kwam eerst toen ik al ouder dan twintig jaar was, onze Auke getrouwd was en onze moeder, onze Fokke en ik naar de Wabbe Wissesstraat 6 in Gorredijk verhuisden. Daar waren verscheidene kranen (ook warme) en volgens een neefje, een “elektrische schijterij” (een wc met doorspoeling)
Turf en hagedissen op het Fochteloerveen (8)
Wanneer ik in de zomervakantie logeerde bij oom Auke en tante Klaske aan de Nieuwe Vaart te Appelscha-Boven, dan stonden wij soms ’s morgens in alle vroegte op, want dan moest er aangepakt worden op het Fochteloerveen. Tante Klaske had de avond tevoren al lekkere dikke sneden brood voor de middagbroodmaaltijd gesmeerd, zodat wij ’s morgens na een paar stukken brood en een paar koppen thee al gauw op de fiets konden stappen. Jan bij tante Klaske achterop.
Niet precies zoals vandaag de dag in een zitje, maar hoogstens met een kussentje of een handdoek onder de kont. Het was nog nevelig als wij over het zandpad bij de Elfde Wijk langs de boerderij van Albert Mesken voorbij gingen en naar de Verbindingswijk fietsten.
Bij de waterkering sloegen wij rechtsaf bij de Derde Wijk langs richting het Fochteloerveen.
Van de Nieuwe Vaart tot en met het Fochteloerveen waren het allemaal zand- of schelpenpaadjes en daar was ’s zomers meestal goed op te fietsen.
Vrijgezelle oom Meine, de bultige oom van oom Auke, was er dan meestal af, want hij woonde wat dichterbij op een schuitje. ‘s Winters lag hij met zijn schip dichtbij het dorp, maar ’s zomers lag hij Oostelijk van de Lyclamavaart in het veld.
De vrouwen werkten ook mee in het veld en wat ik mij herinner zette tante Klaske de turven van een stapel om. Een werkje dat alle dagen weer moest gebeuren. Zij stapelde ook wel turven op de kruiwagens die door de mannen naar het schip werden gekruid.
Oom Meine deed het huishoudelijke werk, dat hield in koffie zetten en de boel weer schoonmaken in de wijk. Hij kookte het (wijks) water in een grote ketel, die aan een ketting aan een “driepoot” boven een vuur hing. Hij deed ook mee met het mannenwerk met veel inzet.
Ik herinner mij niet dat ik mee heb geholpen, maar ik heb me erg vermaakt tijdens de rusttijden met de flora en fauna in het mooie veld. Vooral de hagedisjes waren een trekpleister. Ze probeerden steeds om te ontsnappen tussen de turfbulten en als ik dan één te pakken had, dan bleef ik meestal alleen met een staartje tussen mijn wijsvinger en mijn duim achter. Een hagedisje laat namelijk zijn staartje los als men hem daar grijpt. Een mooi hulpmiddel, niet waar?
Het Fochteloerveen is nu een 2500 hectare groot natuurgebied op de grens van Friesland en Drenthe. Het gebied geldt als één van de zeldzame en best bewaarde hoogveen gebieden in Nederland. Sinds 1660 is het afgegraven. De flora en fauna beschikt over veel interessante planten en dieren, zoals de kraanvogel. Over het Fochteloerveen loopt een schelpenpaadje van Veenhuizen naar Ravenswoud en daar is het op een mooie zomerdag heel druk met fietsers en wandelaars. Speciaal voor hen zijn een uitkijktoren en andere faciliteiten aangelegd. Zelfs de ijscoman profiteert nu mee van dat prachtig mooie natuurgebied.
Ome Jenne (9)
Toen oma Harmke (van Riezen-Buist) op 31 januari 1931 overleed, was zij nog maar vier en dertig jaar en toen bleef opa Anne (van Riezen) achter met zes kinderen. Onze moeder (Antje) was de oudste en nog maar dertien jaar. Samen met haar broertje Jenne, die elf jaar was, heeft ze opa Anne heel goed bijgestaan om op het zusje en de kleinere broertjes te passen.
Een paar keer per jaar reed ik eventjes naar Bruggelaan 6 in Appelscha om met oom Jenne over het verleden te praten, want daar wist hij een hoop over te vertellen. Een mooi bijzonderheid is dat wij beiden in dezelfde bedstee zijn geboren. Jammer genoeg moet ik sinds 17 januari 2017 de leuke gesprekken missen, omdat oom Jenne toen op de leeftijd van zeven en negentig jaar overleden is.
Gesprek met oom Jenne 09-11-2016
Toen opa Anne en oma Harmke hun eerste baby verwachtten, hebben de overgrootvader Hendrik en overgrootmoeder Antje een kamer bij hun huis aan de Eerste Wijk laten ombouwen. Onze moeder werd daar geboren op 4 november 1917 en oom Jenne op 6 augustus 1919.
Toen oom Jenne nog een klein jongetje was, zijn ze verhuisd naar de Derde Wijk en dat herinnert oom zich nog helder. Het ging met een praam, daarom het woord “vervaren” in plaats van verhuizen natuurlijk en kleine Jenne mocht ook in de praam zitten. “Ik weet nog dat ik naast de kachel zat”, zei hij.
Ik (Anne) heb hetzelfde levenspad gevolgd in mijn eerste levensjaren: geboren in dezelfde bedstee aan de Eerste Wijk als onze moeder en oom Jenne en toen verhuisd naar het (Friese) Woudenhuisje aan de Derde Wijk.
Anna, Jenne en Akke moesten naar de school aan de Compagnonsvaart in Appelscha-Beneden en omdat dat lopend moest, waren ze de hele dag weg van huis. Voor Anna veranderde dat, toen kleine Hendrik zes jaar werd en ook naar school moest. Anna kreeg toen een fiets en Hendrik moest bij haar achterop de pakjesdrager en Jenne en Akke moesten lopen.
Oom Jenne herinnert zich nog dat Hendrik in de broek scheet, toen hij voor de eerste keer bij Anna achterop zat. In 1930 kwam er pas een school op de Wijken.
Oom Jenne is een poosje bij onze ouders in de kost geweest om de uitkering voor opa Anne in veiligheid te brengen. Maar toen ik op 5 oktober 1939 werd geboren was er voor oom Jenne, toen twintig jaar, geen plaats meer in de bedstee aan de Eerste Wijk.
Toen oom Jenne met zijn broers Hendrik en Henk, twee andere ooms van mij dus, een bloeiende boerderij hadden, heb ik daar wel eens een zakcentje verdiend met het aardappelrooien. Het akkerland, waar ik toen door het zand kroop, verandert nu langzamerhand weer in natuur, als onderdeel van het Fochteloerveen.
Dat overgrootvader Hendrik en opa Anne meer dan een eeuw geleden meegeholpen hebben om het te ontginnen! Wel wat vreemd, niet !!!
Sierd Geertsma (10)
Zaterdag 18 maart 2017 waren we weer eens bij een bijeenkomst in de Hoolten Klinte, het verenigingsgebouw van de Historische Vereniging Appelscha aan de Bosberg in Appelscha. Daar hielden de neven Tjeerd en Sierd Geertsma een lezing over hun oom Sierd Geertsma, de kunstschilder. Uitgezonderd zijn studietijd aan Minerva, de Groninger kunstacademie, is Sierd Geertsma verankerd in Appelscha en dat was niet het enigste bijzondere aan de schilder. Hij is geboren mat aan beide handen maar één vinger.
Verscheidene generaties Geertsma waren huisschilder, maar vanwege zijn handicap kon Sierd dat niet worden. Het bleek dat hij wel een bijzondere aanleg had voor de schilderkunst. Sierd was graag alleen en ging er regelmatig op uit om duinlandschappen en andere natuur rondom Appelscha te schilderen.
In de loop der jaren heeft Sierd Geertsma zich in zijn schilderkunst van verschillende stijlen en technieken bediend, geïnspireerd door de heersende mode. Hij experimenteerde graag met nieuwe technieken en dat is te zien in zijn vrije tekeningen, houtsnijwerken en olieverfschilderijen. Hij had er moeite mee om schilderijen af te staan, daarom tekende hij voor zijn levensonderhoud veel advertenties voor verscheidende firma’s en organisaties.
In de vijftiger jaren begon hij met zandschilderijen en daarvoor werd duinzand nauwkeurig op kleur gesorteerd en dan verwerkt in mozaïeken. Hij schilderde ook graag mystieke werken. Allerhande wezens à la Jeroen Bosch kregen hun plek in de voorgedrukte vormen van behangselpapier, dat bij de familie natuurlijk rijkelijk aanwezig was.
Voor het regionale VVV-kantoor, dat de mooie natuur van Appelscha meer op de kaart wilde zetten, maakte Sierd verscheidene tekeningen en schilderijen. Sierd Geertsma is geboren op 16 juli 1896 en is in het verzorgingscentrum in Haulerwijk op 21 oktober 1985 overleden.
Omdat hij niet meer voor zichzelf kon zorgen, ging hij op zijn drieëntachtigste naar dat verzorgingscentrum, maar daar bleef hij schilderen op allerhande soorten ondergrond, zoals behang en de vloer!! Onze vader had in onze Appelscha-tijd geregeld contact met Geertsma en ik herinner mij nog dat ik eens meeging achterop de fiets. Heel bijzonder vond ik dat !!
Om de artistieke nalatenschap veilig te stellen en onder de aandacht te brengen is de stichting “Leven en werk beeldend kunstenaar Sierd Geertsma” in 1996 opgericht.
Opa Anne en opa Auke bij de opening van de school (11)
In 1920 was er al eens aangedrongen op een school in Appelscha Derde Wijk en in 1930 was het dan zover! Toen werden meer dan honderd kinderen verlost van hun dagelijkse tocht naar Appelscha-Beneden. Een tocht die jarenlang over onverharde wegen ging en vooral ’s winters de nodige moeilijkheden met zich meebracht.
Op 1 oktober 1930 werd de school feestelijk geopend en er werd begonnen met honderdeenentwintig leerlingen. Meester Lok werd het eerste hoofd van de school.
Hij beperkte zich niet alleen tot het onderwijs maar hij stond met raad en daad klaar voor alle mensen op de wijken. Jammer genoeg werd hij op 19 mei 1944 bij zijn huis doodgeschoten, omdat hij zich tegen de Duitsers keerde. Bijgaande foto is gemaakt tijdens de opening op 1 oktober 1930 en het doet mij deugd, dat mijn beide opa’s erop staan als oudercommissieleden.

Opa Anne staat bovenaan vierde van rechts en opa Auke staat zevende van rechts. Hij heeft een vlinderstrikje voor, zo heb ik hem nog nooit gezien!!
Waren er in 1930 121 leerlingen, in juli 2015 was dat nog lang niet de helft en daarom moest de school van overheidswege sluiten. Net als een hoop anderen heb ik gebruik gemaakt van de gelegenheid om net voor het sluiten nog eens in de school te kijken. Bij die visitie zag een vrouw mij aan voor onze Auke. Zij zat bij hem in de vierde klas, in het jaar dat wij naar Kortezwaag verhuisden.
Ik was toen net ruim een maand op school en had net mijn eerste woordjes met een griffel op de lei mogen schrijven. Ik mocht de woordjes er ook weer afvegen! De vrouw die mij aansprak was Lineke Huberts, die toentertijd aan de Lyclamavaart woonde. Zij vertelde mij twee mooie anekdotes en één daarvan heugde mij nog. Zij fietste altijd bij ons huis langs over het smalle zandpaadje naast de Wijk en toen is ze eens op de kop in het water geraakt. Nadat ze weer op de wal gekropen was, heeft ze zich verkleed bij ons voor de kachel. Omdat ik geen zusjes had, kreeg ze alleen maar jongenskleren aan. Onze Auke heeft haar ook eens een ansichtkaart gestuurd, vertelde ze. Auke was achter de postbode aangerend en heeft hem gevraagd of hij de kaart bij Lineke wilde bezorgen. Nou, dat heeft hij gedaan!!
Een oudere zuster van Lineke, Tine, was in de vijftiger jaren een vermaard schaatsenrijdster op de kortebaan.
Silbertanne- moord op de Derde Wijk (12)
In de nacht van 19 op 20 mei 1944 is het zoals haast altijd rustig in ons woudhuisje aan de 3e Wijk in Appelscha. In de bedstee links in de kamer liggen onze ouders en in de bedstee rechts liggen onze Auke en ik. Het was rustig, maar ineens werden papa en moeder, Auke en ik ongeveer tegelijk wakker van een enorm geschreeuw van een kind om ons huis. “Ons pappie is dood, ons pappie is dood!”, schreeuwde ze.
Onze vader deed de deur open en daar stond de tienjarige Janny Lok, dochtertje van het hoofd van de school, die een paar honderd meter van ons huis stond. Meester Lok had een afschuw van de leer en de praktijken van het nazidom en dat wist iedereen op de Wijken en in Appelscha. Hij hielp in de Tweede Wereldoorlog mensen om onder te duiken. Hij had zelf een periode een Joodse jongen in huis, maar dat was niet verantwoord hem te houden.
In mei 1940 bleek namelijk al gauw dat een onderwijzer aan zijn school propaganda maakte voor de NSB!! Op de avond van 19 mei had vrouw Lok nog tegen haar man gezegd, dat hij maar beter kon onderduiken of in elk geval beter niet thuis kon slapen. Dat wilde hij niet, maar hij was toch niet helemaal gerust. Hij vertelde zijn vrouw rondom bedtijd, dat hij de bonkaarten voor de onderduikers verstopt had in de lege kachel van de school. Tijdens de stikdonkere nacht werd er gebeld. Geen haar op zijn hoofd dacht eraan, toen zijn vrouw Lok haar man zei weg te gaan door de achterdeur. Toen vrouw Lok beide mannen te woord stond, ging hij achter haar staan en meteen spraken ze hem aan. Vriendelijk vroegen ze hem of hij meneer Lok was en hij bevestigde dat. “Mooi, dan moeten wij u vragen eventjes mee te gaan naar Assen, want er is een onderzoek gaande waar wij u ook graag willen horen”. “Moet zoiets midden in de nacht?” vroeg Lok. “U weet wanneer wij overdag komen, dan ontstaat er zo´n ophef in het dorp en daarom komen wij maar liever in het donker”, was het antwoord.
Eten hoefde hij ook niet mee, want er werd goed voor getuigen gezorgd. Toen Lok zich klaar maakte om mee te gaan, kwamen Jaap en Janny, de beide kinderen van elf en tien jaar naar beneden. Zij waren helemaal overstuur door dit nachtelijk gebeuren. Het afscheid was kort. Toen gingen de drie mannen de deur uit. Ze hadden nog maar enkele stappen buiten het hekje gezet of daar klonk een schot! Dodelijk verwond zakte Lok in elkaar.
De buren werden wakker van het tumult, maar niemand durfde naar buiten omdat het spertijd was. Helemaal alleen liep Janny over het zandpad langs de vaart in het pikkedonker naar ons huis. Onze vader was niet bang en ging met haar terug. Met vrouw Lok droeg hij het lijk in huis en samen wachten ze de dag af, terwijl onze Auke en ik bij onze moeder in de bedstee kropen.
Heel Appelscha was verslagen, want Lok nam een belangrijke plaats in bij hen. De volgende dag werden de bonkaarten verdeeld over de onderduikers bij `Us Blau Hiem` en andere plekken.
Zo nu en dan mailen Janny en ik elkaar en ontmoeten wij elkaar. Bij één van onze contacten vertelde Janny mij dat onze papa haar in die kwade nacht heel lang voorlas en dropwater maakte om haar wat rustig te krijgen. Na de oorlog kreeg de openbare lagere school in Ravenswoud, die op 1 juli 2015 gesloten werd, de naam “Meester Lokschool” en er is een Meester Lokstraat.
Op de volgende pagina
Libbensferhalen fan Anne Veenstra





