
Hendrik Cats was een bijzonder mens. Hij was mensgericht, warm, goedlachs en sociaal. Met tomeloze energie zette hij zich in om het zijn geliefde en kinderen, familieleden, vrienden en dorpsgenoten naar de zin te maken. Steeds was hij bereid iedereen met raad en daad bij te staan. Deze waarden en normen heeft hij doorgegeven aan zijn kinderen en zijn belangrijk gebleven binnen onze familie.
Inleiding
Op 10 augustus 2007 was het honderd jaar geleden dat Hendrik Cats geboren is. Ter gelegenheid hiervan heeft zijn zoon Jakob het initiatief genomen om het levensverhaal van Hendrik Cats op schrift te stellen. De belangrijkste informatiebronnen waren zijn echtgenote, Johanna Cats-Buldstra, en de herinneringen van de twee oudste kinderen, Klaas en Ada. Helaas is het niet mogelijk geweest om leeftijdsgenoten van Hendrik of andere naaste familieleden te interviewen, omdat zij niet meer in leven zijn. Dankzij oude foto’s die Johanna en anderen hadden bewaard kon ook beeldmateriaal worden toegevoegd.
Dit boek is in 2013 samengesteld door de kinderen van Hendrik en Johanna. Zij noemden hun vader en moeder: Heit en Mem (Fries). In het verhaal worden Hendrik en Johanna vanaf het moment dat ze getrouwd zijn steeds als Heit en Mem aangeduid.
We beschouwen dit boek als een waardevolle bijdrage aan onze familiegeschiedenis, dat we graag doorgeven aan de volgende generaties.
Het ouderlijk gezin Cats

Ons familieverhaal begint bij de vader van Hendrik Cats. Hij heette Klaas Cats. Klaas werd geboren op 8 oktober 1872 in Fochteloo, de plaats waar hij zijn leven lang woonde.
Klaas Cats heeft als jongen op allerlei manieren zijn geld verdiend. Hij begon als schaapherder, koejongen en turfsteker. Hiermee verdiende hij echter niet genoeg geld om zijn wens, een eigen boerenbedrijf, in vervulling te kunnen laten gaan. Daarom besloot Klaas remplaçant te worden. In die tijd waren alle jongemannen verplicht om deel te nemen aan een loting om te bepalen wie militaire dienstplicht moest vervullen. Rijke mensen, die ingeloot waren, konden iemand anders, een remplaçant, inhuren om namens hen de dienstplicht te vervullen. Klaas koos ervoor om op deze manier gedurende twee jaar (vanaf maart 1897) de militaire dienstplicht van Oebele van den Wolff te vervullen. Overigens was Klaas een van de laatste remplaçanten, want vanaf 1898 gold namelijk de persoonlijke dienstplicht. Klaas Cats verdiende 200 gulden met dit remplaçantschap. In die tijd was dit een aanzienlijk bedrag waar een eenvoudige arbeider ruim vijf jaar voor moest werken. Dit geld gebruikte Klaas voor de aankoop van een paar bunder (hectare) grond en een klein boerderijtje. Met dit boerderijtje had hij een huis én een bedrijf en kon hij trouwen.
Klaas Cats trouwde met Antje Woudhuizen. Echter, ruim een jaar nadat het huwelijk gesloten was overleed zij in 1900 in het eerste kraambed samen met haar ongeboren kindje.
Binnen een jaar na het overlijden van Antje Woudhuizen hertrouwde Klaas Cats op 17 mei 1901 met Jeltje Stoker (geboren op 18 november 1878). Daarmee was er sprake van een dubbele familieband, omdat de vader van Klaas, genaamd Hendrik Sjoerds Cats, op zijn beurt getrouwd was met de moeder van Jeltje Stoker (Jannesje Klazes Liekstra).
Hendrik Sjoerds Cats, tevens grootvader van Hendrik trok, na het overlijden van zijn vrouw Jannesje Klazes Liekstra in 1910, bij zijn zoon Klaas Cats in. Eigenlijk ging Hendrik Sjoerds wonen bij zijn zoon en stiefdochter.
Jeltje Stoker was een lieve meegaande vrouw; Klaas Cats was daarentegen een dominante man. Uit dit huwelijk kwamen zes kinderen voort, namelijk vier jongens en twee meisjes: Jannesje, Ludserd, Hendrik, Alle, Aaltje en Jannes Cats.
Jannesje Cats (geboren op 23 juli 1902, overleden op 5 september 1980), roepnaam Antje, was de oudste dochter. Ze is vernoemd naar de moeder van Klaas Cats, maar haar roepnaam is wellicht een vernoeming van Klaas Cats zijn eerste vrouw. Ze trouwde met Harmen ter Schuur en samen hadden ze jarenlang een boerderij bij Makkinga, vlakbij het motorcrossterrein “de Prikkedam”.
Ludserd Cats (geboren op 28 augustus 1904, overleden op 8 juni 1987) was de oudste zoon. Hij trouwde met Wikje Popkema en werd boer in Fochteloo. Zijn zoon heeft later deze boerderij overgenomen en ook nu wonen er nog nazaten op de boerderij, die in de jaren ’50 is vernieuwd.
Hendrik Cats (geboren op 10 augustus 1907, overleden op 17 mei 1968). Hendrik werd op een frisse, regenachtige augustusdag in 1907 in Fochteloo geboren als tweede zoon van Klaas Cats en Jeltje Stoker.
Alle Cats (geboren op 13 februari 1909, overleden op 18 februari 1998) was de derde zoon. Hij trouwde met Wietske Knol (geboren omstreeks 1908, overleden op 16 december 1994). Alle had net als Hendrik Cats een kapperszaak, eerst in Boornbergum en later in Oosterwolde aan de Rijweg 5. Deze kapperszaak met de naam Cats is er nog steeds op dezelfde locatie.
Aaltje Hendrika Cats (geboren op 22 oktober 1914, datum van overlijden is onbekend) roepnaam Jantje. Deze jongste dochter, was getrouwd met lmke Oosterkamp (geboren omstreeks 1910, overleden 22 december 1994) en samen hadden zij een bouwbedrijf in Fochteloo. Dit bedrijf was schuin tegenover de winkel en kapperszaak van Hendrik en Johanna Cats gevestigd. De naam van het bouwbedrijf bestaat nog steeds.
Jannes Ludserd Cats (geboren op 27 september 1918, overleden op 21 september 1990) was de jongste zoon en getrouwd met Annigje (Annie) Doek afkomstig uit Smilde. Jannes was ook kapper in Smilde. Annie is geboren omstreeks 1922 en overleden op 7 januari 2001 te Assen.
Jeugdjaren van Hendrik
Er is weinig bekend over de jeugdjaren van Hendrik Cats. Een kleuterschool kende Fochteloo niet dus heeft hij vermoedelijk tot zijn zevende jaar veel gespeeld met leeftijdsgenoten en gezinsleden. Hendrik doorliep alle zeven klassen van de lagere school; dat werd toen als een behoorlijke opleiding beschouwd.
Zoals de meeste jongens in die tijd ging Hendrik op 14-jarige leeftijd van school om te werken en geld te verdienen om het gezin te ondersteunen. Hij kreeg werk in de “ontginning”. Een deel van het Fochteloërveen genaamd “de tachtig bunder” werd ontgonnen. Dit betekende dat het veen werd verwijderd en dat het land gereed werd gemaakt voor een agrarische bestemming. Hendrik werd aangenomen als chauffeur en moest rijden op de stoomploeg. Dit was een kruising tussen een tractor en een kiepauto, een voorloper van de huidige grondverzetmachines.
Toen dit project in de jaren ’20 tot een einde kwam ging hij weer thuis op de boerderij werken.
Op grond van zijn ervaring als chauffeur was het voor Hendrik niet moeilijk om op 18-jarige leeftijd zijn rijbewijs te halen. Het rijexamen werd afgenomen door schoolmeester Noorman. Het rijexamen bestond uit de volgende onderdelen:
1. zo snel mogelijk wegrijden
2. hard rijden én remmen
3. een rondje rijden op het kruispunt.
Daarbij zat de examinator niet in het voertuig zelf, maar keek hij van een veilige afstand toe! Zo haalde Hendrik zijn rijbewijs.
Toen hij bijna 19 jaar was overleed zijn moeder. Jeltje Stoker leed sinds haar 45ste levensjaar aan tuberculose (TBC). Deze longinfectieziekte kan tegenwoordig genezen worden met antibiotica. Maar in die tijd bestond er nog geen antibiotica, dus was er geen kans op genezing. Op 21 juni 1926 overleed Jeltje Stoker aan de gevolgen van deze ziekte. Dit was ongetwijfeld een grote ramp voor het gezin.
Het Koninkrijk der Nederlanden riep Hendrik op om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Dus kwam hij op voor zijn nummer en meldde hij zich voor de militaire keuring. Hij verwachtte afgekeurd te worden, want de vereiste minimumlengte was 1,60 meter en bij de laatste meting was Hendrik slechts 1 meter en 59 centimeter lang. De meetlat van de militaire keuring besliste echter dat hij precies 1,60 meter was en daarmee was zijn lot bezegeld.
Ludserd, de oudere broer van Hendrik, werd afgekeurd vanwege zijn slechte ogen. Hendrik’s broertjes Alle en Jannes kregen vrijstelling wegens broederdienst.
Hendrik zijn dienstplicht begon op 3 januari 1927. Hij werd kok, een zeer belangrijke functie in het leger. Ook zijn zoon Jakob werd later dienstplichtig kok.
Op 18 juni 1927, een half jaar na zijn indiensttreding, was de eerste oefening van Hendrik al achter de rug. Uit de verhalen blijkt dit niet echt een plezierig uitje te zijn geweest. Het was een harde tijd in een vreemde wereld. En voor de meeste jongemannen was het de eerste keer dat ze langere tijd van huis en haard waren.
In 1930 moest Hendrik op herhalingsoefening en werd hij overgeplaatst naar de motordienst; dit waren de aan- en afvoertroepen oftewel de logistieke dienst.
In 1933 moest Hendrik opnieuw op herhalingsoefening. De herhalingsoefeningen duurden twee tot drie weken.
Periode 1927 tot 1938
Na zijn diensttijd ging Hendrik thuis bij zijn vader op de boerderij aan het werk. Hij molk de koeien en verzorgde het grasland. Daarnaast had hij tijdelijke- en deeltijdbaantjes. Zo was hij als buschauffeur in dienst bij Sipke van Veenen, die ook wel Sipke Tuf werd genoemd. Hij reed op dinsdag en vrijdag met een soort minibus tussen Appelscha en het Gedempte Zuiderdiep te Groningen; op die dagen was er markt op de Grote Markt.
Ook verdiende Hendrik geld met het verwijderen van parasieten uit koeienhuiden. Deze klus voerde hij samen met Anne Hofstra uit. Op zeker moment besloten zij om meer uren te declareren dan ze daadwerkelijk hadden gewerkt. Het bedrog kwam uit en als straf kregen ze geen cent uitbetaald!
Een andere verdienste bestond uit het verrichten van typische barbierklusjes zoals varkens castreren bij de boeren in Fochteloo. Op drukke tijden sprong hij zelfs bij met het binnenhalen van de oogst en als de nood hoog was hielp hij familie en buren met melken.
Een poosje na het overlijden van Jeltje Stoker, ging de oudste zus van Hendrik, Antje, trouwen met Harmen ter Schuur. In de beginjaren van dit huwelijk runde Klaas Cats samen met zijn schoonzoon (de man van Antje) het boerenbedrijf. Vanwege de botsende karakters, ze wisten namelijk beide alles beter, ging dit echter niet goed. Er werd besloten om uiteen te gaan en de boedel werd gescheiden. Harmen vertrok met Antje naar Oldeberkoop, alwaar zij verder “boerden”.
Klaas Cats bleef nog enige tijd in het boerderijtje wonen met zijn vader, Hendrik Sjoerds Cats, zijn zoon Hendrik en jongste dochter Aaltje. In 1936 werd Aaltje ziek en moest er hulp in de huishouding komen.

Daarom werd Johanna Buldstra van de Knolle in dienst genomen. Johanna had al een aantal jaren ervaring als hulp in de huishouding. Zij moest namelijk op haar veertiende van school om uit werken te gaan en zodoende geld te verdienen. Aldus droeg ze financieel bij aan de kosten van haar ouderlijk gezin.
In navolging van zijn broer Alle begon Hendrik ook met betaalde scheer- en knipwerkzaamheden. Hiervoor volgde hij in 1934 een cursus knippen en scheren in Groningen. In die tijd lieten mannen zich meestal voor het weekend scheren bij de kapper.
De kapperswerkzaamheden werden eerst thuis op de boerderij uitgevoerd. ’s Avonds werd in het portaaltje geknipt en geschoren. Dit werd later uitgebreid en werd er door Alle en Hendrik ook in het naburige dorpje Langedijke op vrijdag geknipt en geschoren.
Tevens begon Hendrik een handeltje in tabak, koffie en thee die hij met een transportfiets bij de klanten thuisbezorgde. Fochteloo is een dorp met lintbebouwing en veel afgelegen boerderijtjes en woonhuizen. Aangezien in die tijd bijna niemand over een auto beschikte was het wel handig dat de boodschappen thuisbezorgd werden. Deze handel bouwde Hendrik steeds verder uit en op een bepaald moment besloot hij om een eigen winkel te beginnen. Het beginkapitaal hiervoor kreeg hij van zijn vader.
Klaas Cats gaf namelijk elk van zijn kinderen, die in het huwelijk trad, zijn of haar moederlijk erfdeel.
Toen Hendriks jongste zuster trouwde kreeg ook Hendrik zijn moederlijk erfdeel. Zodoende kreeg hij de beschikking over het beginkapitaal voor zijn bedrijf. Hij kocht voor 500 gulden een lap grond nabij de driesprong in het “centrum” van Fochteloo. Nadat het terrein ongeveer een meter was opgehoogd liet hij daarop het casco van een groot pand bouwen dat hij vervolgens in eigen beheer afbouwde. Hendrik was namelijk een goed timmerman en realiseerde zelfs een douche in het pand. Een voor die tijd ongekende luxe. Voor de afwerking had hij echter niet altijd veel oog. Hendrik verhuisde in 1937 samen met zijn vader en grootvader naar het nieuwe pand waar ook ruimte was voor de kruidenierszaak én de kapperszaak. Want hij wilde dit nieuwe huis best met zijn naaste familieleden delen. Hij voelde zich namelijk verantwoordelijk voor hen.
Zelfs toen Hendrik fulltime kruidenier/kapper was bleef het boeren in zijn bloed zitten. Hij hield wat kippen en mestvarkens, die door hemzelf geslacht werden.
Niet lang na de verhuizing overleed op 19 september 1938 Hendrik Sjoerds Cats op 93-jarige leeftijd.
Huwelijk

Hendrik vond Johanna, de roodharige hulp in de huishouding een leuke jongedame. Johanna was mooi slank en een halve kop groter, wel dertien jaar jonger en een lieve, vrolijke meid. Ze wist van aanpakken, was gezond en intelligent. Kortom, een aantrekkelijke partij. Al snel bloeide er tussen die twee iets moois op. Ze kregen verkering en niet lang daarna, op 12 mei 1939, gaven ze elkaar het jawoord.
Hendrik en Johanna trouwden gelijktijdig met elf andere paren in het gemeentehuis in Oosterwolde. In die tijd was de huwelijksvoltrekking een sobere plechtigheid. Ook was er geen geld voor een feest.
Vandaag de dag is het gebruikelijk dat een pasgetrouwd stel met z’n tweetjes in een huis woont en heel veel privacy heeft. Deze luxe hadden Heit en Mem destijds niet. Immers, Hendrik’s vader, Klaas Cats, woonde bij hen in en ook de familie van Hendrik kwam veel bij Pake Klaas en Hendrik en Johanna over de vloer. Het huwelijk was in de eerste jaren dan ook een ingewikkelde zaak waarbij het niet altijd meeviel om het iedereen naar de zin te maken.
Wrijvingen waren eenvoudigweg onvermijdelijk. Het feit dat Heit niet tegen ruzie kon, bracht met zich mee dat ernstige conflicten niet altijd werden uitgesproken. Vaak was de benadering: als we erover zwijgen dan is het er ook niet.
Ondanks alles was Heit dol op Mem en hij droeg haar op handen. Hij deed alles voor haar. Mem had vrijwel altijd hulp in de huishouding of achter de naaimachine. Het kwam wel eens voor dat Mem ziek was en dan kookte Heit. Dat had hij immers in militaire dienst geleerd.
Mobilisatie
In 1939 ontstond er oorlogsdreiging door de acties van Hitler-Duitsland tegen Polen. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd en ook werd Heit -hij was toen ruim drie maanden getrouwd- opgeroepen om dienst te doen in het leger. Hij moest zich op 29 augustus 1939 melden in Heerenveen en werd later overgeplaatst naar Doorn. Alhier gelegerd werd hij aangesteld als vrachtwagenchauffeur.
Mem bleef achter met haar schoonvader, zwager en schoonzus en was (naar achteraf bleek) net een paar weken zwanger van hun eerste kindje. Hendrik mocht slechts een keer in de twee weken een weekendje naar huis. Dit was te weinig om het bedrijf goed draaiende te houden. Daarom probeerde hij zoveel mogelijk zakenverlof te krijgen om naar huis te kunnen. Soms probeerde hij dit zakenverlof te verlengen met ziekteverlof. De huisarts hielp door een aantal malen een doktersverklaring af te geven. Ook op de legerbasis deed Heit goede zaken. Niet alleen knipte en schoor hij zijn kameraden, hij leverde hen bovendien tabak en andere kruidenierswaren.
Tijdens de mobilisatietijd werden burgers, die in de buurt van legerplaatsen woonden, aangemoedigd om zo nu en dan soldaten uit te nodigen voor een maaltijd en een gezellige avond bij hen thuis. Zo werd Heit door de familie Van Oest in Doorn uitgenodigd.
De heer Van Oest was de hoffotograaf van keizer Wilhelm II, die na de eerste wereldoorlog in Nederland in ballingschap was gegaan. Heit sloot vriendschap met de familie Van Oest.
Een paar maanden voordat de oorlog daadwerkelijk begon overkwam Heit iets. Alle soldaten moesten beurtelings wachtlopen, zo ook Heit. Tijdens één van zijn wachten, werd hij gealarmeerd door een verdacht geluid; hij dacht ogenblikkelijk dat het de vijand was. Zoals hem geleerd was, sprak hij de onzichtbare verdachte aan en droeg deze op om zich bekend te maken en het wachtwoord te geven. Het bleef echter stil, de verdachte reageerde niet en toen schreeuwde Heit: “Halt, sta stil!” en schoot in de lucht. Door dit lawaai werd het hele kamp wakker en iedereen was in rep en roer. Zijn waakzaamheid werd beloond met twee extra dagen verlof. De oorzaak van het verdachte geluid is voor altijd een mysterie gebleven.
Op 6 mei 1940 werd de eerste zoon geboren: Klaas Jakob. Heit was toen al ruim acht maanden onder de wapenen en de internationale situatie was erg gespannen. Na lang aandringen mocht hij drie dagen naar huis om z’n vrouw en kind te zien. Een deel van de thuisreis legde hij af op een geleende fiets.
Op 10 mei was Heit weer terug bij zijn eenheid. Vroeg in de morgen viel het Duitse leger onverwacht Nederland binnen.
Heit moest met een vrachtwagen munitie naar het front aan de Grebbelinie transporteren. Dit was in 1940 de hoofdverdedigingslinie van het Nederlandse leger. Munitie vervoeren was erg gevaarlijk werk. Een vrachtwagen die is volgeladen met 30 kisten munitie, is in feite een rijdende bom. Aangezien de Duitse vliegtuigen het luchtruim boven Nederland beheersten kon Heits munitievrachtwagen ieder moment vanuit de lucht worden gebombardeerd. Hij heeft onder vuur gelegen van Duitse parachutisten die actief waren achter de frontlinie. Hierbij leek het alsof alles om hem heen ontplofte. Gelukkig heeft hij dit allemaal overleefd. Na de strijd werd Heit met zijn kameraden krijgsgevangen gemaakt. Op 29 mei 1940 werd hij vrijgelaten en mocht hij weer naar huis, waar hij gespannen, zenuwachtig en emotioneel aankwam.
De Oorlogstijd
Tijdens de oorlogsjaren was een kruidenierszaak echt geen vetpot. Alles was op de bon en de marges waren zo klein dat er weinig overbleef om van te leven. Gelukkig had Heit niet op één paard gewed en viel er met scheren en knippen nog wat te verdienen
Ada geboren
Op 15 juni 1943 werd Ada (Akke Jeltje) geboren als tweede kind van Heit en Mem. Nu waren alle pakes en beppes vernoemd. Ada was een kind van hoop op een nieuwe tijd van veiligheid, vrijheid en vreugde. Het zou echter nog bijna twee jaar duren voor het echt vrede werd.
Zoals op veel foto’s te zien is, was Heit een straffe roker. In de oorlogstijd was het niet eenvoudig dit “beleid” voort te zetten. Aangezien er geen overzeese handel mogelijk was werd tabak al spoedig schaars. Tabak was het “goud voor de man” en was naast koffie en thee erg kostbaar. Om de laatste tabak, Javaanse jongens, te bemachtigen ondernam Mem in februari ’45 nog een reis op de fiets naar Niemeijer in Groningen.
In de oorlogsjaren lag het accent vooral op overleven. Dat lukte het beste als je onzichtbaar bleef en je jezelf neutraal opstelde, want verklikkers waren overal.
De piloot
In 1944 kwam er op een bepaald moment een man, gekleed in een boerenoveral maar met “legerkistjes” aan zijn voeten, de winkel binnen. Mem had al snel door dat dit een Engelse piloot moest zijn. Hij vroeg om “bread” en wist met handen en voeten duidelijk te maken dat hij brood wilde. Op datzelfde moment was Heit bezig met scheer- en knipwerk aan twee lokale NSB’ers, die collaboreerden met de Duitse bezetter. Hulp aan een piloot was voor de Duitsers een halsmisdrijf, iedereen was verplicht om direct de Duitsers te informeren. Mem wist dit allemaal heel goed, maar wilde de Engelse piloot toch helpen. Het brood was echter al op. Uiteindelijk heeft ze hem geld en broodbonnen meegegeven en een plattegrond getekend van het dorp met daarop de bakkerij. Uit dankbaarheid wilde de Engelse piloot haar een Engelse munt geven die ze na enig aandringen toch maar accepteerde. Deze bijzondere munt is nog steeds in bezit van de familie. Gelukkig merkten de NSB’ers niets van dit alles en is de piloot ook niet opgepakt anders had dit wel eens bar slecht kunnen aflopen.
De motor
Heit had voor de oorlog voor de lieve som van 400 gulden een prachtige Zündapp motorfiets gekocht, waarmee hij rondritjes maakte door Oosterwolde en omgeving.
Heit was lid van motorclub Ooststellingwerf oftewel MCO De Prikkedam in Makkinga. Hij deed ook aan motorcrossen samen met dokter Jongebrur en Appie Koning, een beroemde Nederlandse motorcrosser. Sommige films over de oorlog willen ons willen doen geloven dat men tijdens de oorlogsjaren vrij gebruik kon maken van auto’s en motoren. In werkelijkheid was het voor Heit onmogelijk om met de Zündapp te gaan toeren. Alle privé-voertuigen, motorfietsen en zelfs gewone fietsen werden door de Duitsers geconfisqueerd. Heit had zijn racemonster echter niet voor de vijand gekocht en dus verzon hij een list. Van zijn schoonvader kreeg hij een mooi voorraadje prachtige droge bruine turf. Deze turven werden netjes over de motor in het achterportaal heen gestapeld. Zo bedekten ze een paar jaar lang Heit zijn grote schat.
Onderduikers
De Duitse bezetting werd steeds grimmiger. Alle mannen liepen het gevaar opgepakt te worden en als dwangarbeider naar Duitsland getransporteerd te worden. Uit angst hiervoor gingen Heit zijn jongste broer Jannes en zijn vrouw Annie in september 1944 “onderduiken” bij Heit en Mem. Dit betekende twee extra monden te voeden en een zware belasting voor het jonge gezin.
De fietsen weg
Voor het kruideniersbedrijf had Heit een zogenaamde transportfiets met een rek voorop en stevige spekbanden. Deze fiets diende voor het bezorgen van boodschappen. Daarnaast hadden ze een gewoon rijwiel in bezit. Toen Jannes en Annie kwamen onderduiken brachten die ook nog een fiets mee. Op een kwade dag bleek dat een dief de schuur had opengebroken en de beide gewone fietsen had gestolen. Alleen de transportfiets was gespaard gebleven. Waren het de Duitsers of hadden andere kapers hun slag geslagen?
Het Kamp Ybenheer
Het kamp was oorspronkelijk bedoeld als werkverschaffingkamp, een werkgelegenheidsproject voor het ontginnen van het veen. De barakken werden geplaatst op een stuk heideveld nabij Fochteloo dat door de plaatselijke bevolking “Iepenheer” werd genoemd.
In juni 1942 werd het kamp Ybenheer door de Duitsers in gebruik genomen als werkkamp voor mannelijke Joodse dwangarbeiders. Soms trokken groepen joden of andere gevangenen voorbij, voortgedreven door Duitsers of landwachten (gewapende NSB’ers). De confrontaties met de brute realiteit van de bezetting waren erg triest. De joden werden in oktober 1942 van hieruit op transport gezet.
Vanaf 1951 werden Zuid-Molukkers (Ambonezen) en oud-militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger met hun gezinnen ondergebracht in kamp Ybenheer. De Ambonezen waren goede klanten in de winkel van Heit en Mem. Door dit contact leerden ze zelfs Maleise woordjes en konden ze tellen in die taal.
Voor meer informatie over het kamp, zie: https://www.joodsewerkkampen.nl/.
De Klokkenluider
Als opvolger van z’n vader heeft Heit bijna twintig jaar de rol van klokkenluider van Fochteloo gehad. De klokken werden geluid als er een dorpsgenoot was overleden of werd begraven. Ook op andere momenten (bijv. Koninginnedag) waren de klokken dé methode om collectieve gevoelens te uiten en berichten te versturen.
Volgende pagina
Wederopbouw: 1945 – 1960





